De verontrusting van J.C. Aalders

Johannes Christiaan Aalders (1881-1966) is bekend geworden als een van de medestanders van J. G. Geelkerken. Reeds in 1916 wees hij op de schaduwkanten van het gereformeerde leven en riep hij op tot bekering. In 1926 ging hij over naar de Gereformeerde Kerken in Nederland ( in Hersteld Verband). In dit artikel wordt beschreven waarom het wel tot een breuk moest komen tussen Aalders en de GKN. Vanuit dit biografische perspectief valt ook licht op de beweging der jongeren.

II. J.C. Aalders als representant van de beweging der jongeren

Johannes Christiaan Aalders is bekend geworden als een van de medestanders van J. G. Geelkerken. Reeds in 1916 wees hij op de schaduwkanten van het gereformeerde leven en riep hij op tot bekering. In 1926 ging hij over naar de Gereformeerde Kerken in Nederland (in Hersteld Verband). In dit artikel wordt beschreven waarom het wel tot een breuk moest komen tussen Aalders en de GKN. Vanuit dit biografische perspectief valt ook licht op de zogenaamde Beweging der Jongeren.

Afkomst

Johannes Christiaan Aalders werd op 25 september 1881 te Amsterdam geboren als zoon van G.J.D. Aalders en M.A.E. Davis.[1] De familie was aanvankelijk buitenkerkelijk of althans niet meelevend, op het anti-kerkelijke af.[2] Maar onder invloed van de christelijk gereformeerde predikant ds. A. Brouwer van Amsterdam kwam het tot een krachtdadige bekering. De oudste zoon van het echtpaar, de latere VU-hoogleraar G.Ch. (Gerrit) Aalders, vermeldt ergens dat deze bekering een grote ommezwaai in het gezinsleven betekende en diepe indruk op hem had gemaakt.[3] We mogen aannemen dat ook zijn jongere broer Johan hieraan blijvende herinneringen heeft gehad. Sedert zijn bekering leefde hun vader met een sterk besef van de aanwezigheid Gods. De Heer was een levende realiteit in dit gezin. Dat kon echter niet verhinderen dat de onderlinge verhoudingen soms moeizaam waren. Ds. G.J.D. Aalders kon niet met zijn zoon Johan overweg, en Johan niet met zijn vader.[4] De relatie tot zijn broer Gerrit speelde daarbij waarschijnlijk een belangrijke rol: deze was de kroonprins, deze mocht lang studeren[5], deze ging altijd trouw in het voetspoor van zijn vader. Johan was uit ander hout gesneden. Vurig, hartstochtelijk, emotioneel, psychisch niet altijd even stabiel, met een bevindelijk-mystieke inslag.[6] Hij had, meer dan zijn broer Gerrit, karaktertrekken die aan hun vader herinnerden. Om die reden botste hij waarschijnlijk vaak met hem. Hij was het troetelkind van zijn moeder. Maar evenals zijn vader en zijn broer ging hij theologie studeren. Het verhaal gaat dat hij zich aan de VU vanwege het daar heersende rationalistische klimaat niet thuis heeft gevoeld en heeft overwogen met zijn studie te stoppen. Bavinck wist hem te bewegen zijn studie voort te zetten en predikant te worden.[7]

D.Th. Kuiper plaatst de familie Aalders in het niemandsland tussen Kampen en Amsterdam.[8] Van de verbondenheid met de afgescheidenen getuigt hun kerkelijke herkomst en het feit dat de eerste gemeente van G.J.D. Aalders (Gouda) een A-gemeente was. Ook zijn bevindelijke vroomheid verwijst naar deze achtergrond. Maar hij had waardering voor Kuyper en zijn zonen studeerden aan de VU. Zij werden lid van F.O.R.U.M., opgericht in 1894 uit protest tegen het feit dat niet-gereformeerde studenten lid konden worden van de twee andere disputen, Demosthenes en I.V.M.B.O.[9] Dat de gereformeerde elite zich bij voorkeur verzamelde in I.V.M.B.O. of Demosthenes en de nieuwe gereformeerde intellectuelen in F.O.R.U.M. lijkt iets te zijn van later datum. In eerste instantie ging het om verschillen in openheid en spiritualiteit. Zo waren relatief veel leden van Demosthenes en I.V.M.B.O lid van de NCSV, anders dan de leden van F.O.R.U.M., die zich daarvan merendeels bewust afzijdig hielden. Vanuit de dispuutspopulatie rond 1900 vallen er allerlei lijnen te trekken naar de partijschap rond de kwestie Geelkerken. Veel Jumbonen behoorden later tot zijn geestverwanten, veel Forensen tot zijn tegenstanders. Dat zo’n indeling niet honderd procent waterdicht is, bewijzen mensen als Aalders en zijn dispuutsgenoot J.J. Buskes jr.[10] De eigenheid van de spelers in dit spel mag niet worden uitgevlakt, en dat geldt zeker ook van een tot depressie geneigde man als Aalders. De hier genoemde aspecten, de vroomheid van de afgescheidenen, de stemmingsstoornissen van Aalders en het krachtenveld binnen de zich consoliderende GKN zijn van belang voor een goed begrip van deze predikant en van wat hem bewoog.

Veruitwendigen onze kerken?

In 1907 werd Aalders predikant te ’s Gravenmoer, in 1909 vertrok hij naar Beetgum, in 1916 deed hij het voor het eerst van zich spreken. De toespraak die hij op 27 september van dat jaar hield voor de Friesche Vereeniging van Predikanten der Gereformeerde Kerken in Nederland zou hem een blijvende plaats geven in de historiografie van de GKN. Kuiper noemt hem de eerste die stem gaf aan wat onder de jongeren leefde.[11]

Aalders zette zijn betoog in met de stelling dat er, geheel conform de Schrift, na de periode van vrijmaking en opbloei wel een periode van verflauwing moest volgen. Die tijd was nu.[12] Hij vond dit terug in een verflauwing van de strijd der beginselen, in een daling in de ernst van de levenstoon, in het afnemen van het spreken over heilige dingen, en in de moeite die het kostte om ambtsdragers te vinden. De oorzaak van dit verval zag hij uitdrukkelijk niet in het Doleantie-standpunt, niet in de Belijdenis, niet in de inrichting der kerk, niet in het beginsel. Het had te maken met het feit dat de gereformeerden in aanraking waren gekomen met de wereld en met de cultuur. Er dreigde het gevaar van een te grote humanistische invloed, die, zo realiseerde hij zich, te maken had met het verstaan van de roeping der kerk in de wereld. Het was de schaduwzijde van de leer der gemene gratie.[13] Een andere oorzaak vond hij in de te grote nadruk op het objectief-verstandelijke. Er was te weinig gezonde bevinding. Het evenwicht tussen het verbondsmatige uit- en inwendige was zoek, tussen het voorwerpelijke en het onderwerpelijke. Dit alles werd nog versterkt door de tijdgeest, die gericht was op het Diesseits.[14] Kortom: het moderne levensbesef van de afwezigheid Gods verspreidde zich ook in de GKN.[15] Aalders bepleitte een herleving van de calvinistische vroomheid zoals hij die in een schets van Doumergue over Calvijn zag getekend. Hij riep op tot bekering, verootmoediging en gebed.[16] Gedurende zijn gehele leven is deze bevindelijk-mystieke behoefte aanwezig geweest, het is mijns inziens de kern van zijn verlangen geweest.[17]

Het schijnt dat de brochure betrekkelijk weinig weerklank vond. Kuyper, die hij een exemplaar had toegezonden, bedankte met eenregelige briefkaart, Bavinck had in een briefje van 5 november 1916 meer woorden nodig.[18]

Amice, voor de toezending van uw referaat over de vraag: veruitwendigen onze kerken, ben ik zeer erkentelijk. Ik las ze met groot genoegen en met hartelijke instemming. Vooral enkele opmerkingen troffen mij door haar juistheid, o.a. over de historische wet, over de overdreven en niet verwezenlijkte verwachting der Doleantie, over den invloed der cultuur. Er ware nog veel bij te noemen, bijvoorbeeld: de machten rondom ons heen, die het zondebesef ondermijnen, de argumenten door de wetenschap tegen de H. Schrift en de Belijdenis ingebracht, het verdwijnen of verzwakken der verlossingsbehoefte, door de heerschappij, door den menschen over den natuur verkregen enz. Altemaal invloeden die vooral op ’t jonge geslacht werken. Maar ik ben u zeer dankbaar voor uw referaat, en hoop dat het veel goeds zal uitwerken. Geve de Here – wiens Geest tenslotte alleen verandering kan brengen – er zijn zegen op. Met vriendelijke groet, t.t. H. Bavinck

De kritiek der jongeren

Bavinck reageerde dus wel, maar in de openbaarheid zweeg hij, ook toen de spanning begon op te lopen. Algemeen merkbaar werd die spanning met het optreden van ds. J.B. Netelenbos.[19] Deze had in 1917 de hervormde predikant J.A. Cramer tijdens een kerkdienst vervangen. Niet alleen doorbrak hij daarmee het gereformeerde isolement, maar hij verving nota bene een ethische predikant. Gezien de traumatische botsing tussen Kuyper en de ethischen was dit extra pijnlijk.[20] Daarbij komt dat de ethischen grote invloed hadden in de NCSV, de studentenvereniging die op veel gereformeerde studenten al jarenlang grote aantrekkingskracht had uitgeoefend.[21] Er stond dus voor de GKN heel veel op het spel: de klassieke rechtvaardiging van haar bestaan.

In een referaat voor de jaarvergadering van de SSR Leiden ging F.W. Grosheide in op de toenemende onvrede.[22] Hij meende deze onrust vooral onder de jongeren te kunnen lokaliseren en hield een psychologisch getint betoog over de specifieke kenmerken van de adolescentie. Hij eindigde met een dringende oproep: ‘Maar vooral, gij jongeren, onderzoekt, herziet U zelf! Blijft met de gemeente des levenden God alle heil verwachten, ook voor uw bijzondere nooden van den Christus, Die heden en gisteren dezelfde is.’[23]

Aalders reageerde met een brochure onder de titel De critiek der jongeren, door hem getypeerd als een consciëntie-getuigenis.[24] De titel impliceerde kritiek op Grosheide’s analyse. Zijn grote bezwaar was dat deze de onrust in de kerken reduceerde tot een probleem van opstandige kinderen. Aalders daarentegen wees erop dat het ‘klimaat van gedachten’ geheel veranderd was vergeleken bij de situatie van vijftig jaar geleden. Ook merkte hij op dat de ontevredenheid niet alleen bij de jongeren aanwezig was. Er was zijns inziens sprake van een algehele crisis in de GKN, niet alleen van een crisis rond de jongeren.[25] Veel oudere thema’s waren niet meer actueel. En thema’s als evangelisatie, letterkunde, seksualiteit, het vraagstuk van de vrouw, kortom, de grote cultuurthema’s, leefden ook in de GKN, en niet alleen bij de jongeren. Bij dit alles kwam nog een aantal typisch gereformeerde problemen: de behoefte aan een nieuwe Bijbelvertaling, de zaak-Netelenbos, de gezangenkwestie, de kerkelijke formulieren, en de belijdeniskwestie. In het licht van al deze vragen was het van belang aan te tonen wat de calvinistische beweging vermocht met het oog op de vragen en problemen van deze tijd. Met andere woorden: Grosheide zat er met zijn analyse helemaal naast.

Was de eerste brochure vooral gericht op een terugkeer naar de bronnen van de gereformeerde vroomheid, deze was een hartstochtelijke oproep een christelijk antwoord te formuleren op de antichristelijke cultuur, als het zou kunnen in samenwerking met andere gelovigen. In Stemmen des Tijds en in de NSCV zag Aalders van deze samenwerking goede vruchten. Naar aanleiding hiervan reageerde hij op de waarschuwingen uit de kerkbodes tegen het gevaar van vervloeiing. Hoewel hij dit gevaar zag, meende hij dat dit de ogen niet mocht doen sluiten voor de taak der ‘Weiterbildung’. Hij wilde het oude behouden zonder te verstenen; naast vervloeiing dreigde verstarring; naast een verkeerde vooruitstrevendheid stond zijns inziens een valse behoudzucht. Hij constateerde op dit punt een tweedeling, die vooral onderhuids voelbaar was. Daarin bespeurde hij onzuiverheid. ‘Wat er woelt en werkt en gist moet in het licht worden gebracht.’[26] Daarbij zag hij scherp in dat de kerkelijke pers over het algemeen conservatief was, en hij riep op tot een eigen periodiek voor de progressieve krachten in de GKN. Overigens meende hij dat beide, vooruitstrevenden en behoudenden, elkaar nodig hadden om enerzijds vervloeiing, anderzijds verstening te voorkomen. Aalders bedoelde boven de tegenstellingen in de GKN uit te stijgen. Het was hem niet te doen om olie op het vuur te gooien, maar om het klimaat te zuiveren en ‘samen tegen de Filistijnen’ op te trekken.[27]

Deze brochure heeft volgens Harinck meer aandacht getrokken dan de eerste, maar in het algemeen ondervond Aalders weinig instemming.[28] Later zou hij melden dat deze aandacht voor hem soms pijnlijk is geweest. Zo verweet hij zijn collega J.C. de Moor dat deze hem had aangetast in ‘positie en karakter’.[29] Aalders heeft de kerkelijke discussie intensief beleefd. Behalve op de regelmatig terugkerende term ‘consciëntie-kreet’ valt daarbij ook te wijzen op de door hem herhaaldelijk uitgesproken pijnlijke kant van een broedertwist. In een brief aan Grosheide schreef hij eens: ‘Mijn aard en aanleg is heelemaal niet die van een vechtgeneraal. Ik groei niet in het debat. En het pijnlijkste van al valt mij broedertwist.’[30]

Aalders-Grosheide

De publicatie van deze brochure leidde tot correspondentie met Grosheide.[31] Helaas is de reactie van Grosheide op de brochure van Aalders niet bewaard gebleven. Uit het antwoord van Aalders aan Grosheide valt op te maken dat Grosheide zich niet helemaal herkende in sommige kwalificaties van zijn rede. Aalders excuseerde zich daarvoor, maar hield vast aan zijn visie. Ik vermoed dat het gaat om wat voor Aalders het kernpunt was: dit was geen probleem van de jongeren alleen. Daarbij wees hij op het verschillende publiek. ‘Het was uw plicht als hoogleeraar sprekende tot de studenten vooral nadruk te leggen op den eisch: Jongeren, herziet uzelf en bedenkt hoe beduidend veel voor rekening van uw leeftijd komt.’ ‘En mijn bedoeling was het naast, niet tegenover U, nadruk te leggen op den eisch: kerken: herziet u zelf.’ Voor het overige legde hij vooral de nadruk op wat hem met Grosheide verbond, en dat niet ten onrechte. Zijn intentie was zeer beslist de verschillende attitudes naar elkaar om te buigen en de beide stromingen niet tegen elkaar uit te spelen. Wellicht dat Grosheide tevens bezwaar had gemaakt tegen publieke discussie; in ieder geval benadrukte Aalders dat door de publieke discussie de toestand gezuiverd zou kunnen worden. ‘Het kwaad moet genoemd en bestreden.’ Het is de vraag op dit punt geen sprake is van een onjuiste taxatie van Aalders. Elders heb ik betoogd dat het voortdurend polemiseren in kerkbodes en brochures de verhoudingen onder druk heeft gezet, en dat dit een belangrijke factor is geweest in het kwestie-Geelkerken.[32] Overigens is de toon in deze en de vorige brochures niet opvallend polemiserend en zeker niet kwetsend. Maar deze publicatie heeft wel een brede polemiek losgemaakt. Deze staat natuurlijk niet los van wat anderen schreven en zeiden. Er was sprake van een toenemende spanning in de GKN. Daarbij speelden ook vooruitstrevende predikanten als J.B. Netelenbos, J.G. Geelkerken, Joh.C. Brussaard en B. Wielenga een rol.

Reactie van Bavinck

Bavinck reageerde opnieuw, in een brief van 2 mei 1918.[33]

Hedenmiddag thuiskomende van de deputatenvergadering vond ik uw brochure. Ik dank u zeer voor de vriendelijke toezending, maar veel meer nog voor het schrijven en uitgeven ervan. Van het begin tot het einde heb ik ze, op enkele kleine uitzonderingen na, met veel genoegen en instemming gelezen. Dat is een woord dat wij in deze tijd noodig hebben, een moedig, een bezadigd, een ernstig en een door en door waar woord. De kerkbodes enz. kennen de toestanden niet, die onder de jongeren (en ook veel ouderen) voorkomen; ze denken door harde woorden en tuchtmaatregelen die toestanden te kunnen genezen, ze verergeren ze. Ge zult met uw woord veel tegenstand wakker roepen, maar, als ik me niet vergis, ook veel sympathie vinden. Ik wensch u moed en kracht en hoop te zijner tijd van mijne sympathie openlijk te doen blijken. Met vriendelijke groet, H. Bavinck.

Blijkbaar speelde Bavinck toen reeds met de gedachte een brochure uit te geven, maar hoewel hij daaraan een eerste hand heeft gelegd, is het nooit tot publicatie ervan gekomen. Velen hebben dat betreurd.[34] Voor Aalders is deze brief ongetwijfeld een steun in de rug geweest. In feite stelde Bavinck dat hij zich op het goede spoor bevond.

Referaat voor de studenten

De publicatie van zijn brochure leidde er toe dat Aalders in september 1918 op het eerste gereformeerde studentencongres werd uitgenodigd om als spreker op te treden.[35] Dit congres beoogde de oprichting van een nieuwe studentenvereniging, als gereformeerd alternatief voor de NCSV.[36]

Zijn bedoeling was, zo legde hij uit, nader te behandelen wat in de critiek der jongeren aangeraakt werd. [37] Zijns inziens was er zowel sprake van een algehele crisis in de studentenwereld als van een speciale crisis onder de gereformeerde studenten. De algehele crisis was het gevolg van het feit dat de studentenwereld als een afgesloten, door eigen wetten geregeerde wereld, werd opengebroken. De geest des tijds, met zijn democratiserende beschavingstendenties, had de samenleving dicht bij de student gebracht. Deze moest zich een mening vormen, een houding gaan innemen. Verenigingen als NCSV vervulden daarbij een belangrijke rol. ‘En wij, Gereformeerden, wij hebben daar tot nog toe niet met al tegenover te stellen.’[38] Daarom wilde hij van al te grote kritiek op de NCSV niet weten. Zij ‘voldoet aan de eischen des tijds en de behoefte van het tegenwoordig studeerende studentengeslacht.’[39] Vandaar dat hij de hoop uitsprak dat er een nieuwe, gereformeerde studentenorganisatie zou worden opgericht. Deze zou een bijdrage kunnen leveren aan het oplossen van de crisis onder de gereformeerde studenten. Want hoewel het niet zo erg met de jongeren was als door sommigen werd gesteld, gevaar was er wel. In dit kader noemde hij dezelfde thema’s als in zijn eerste brochure: het geestelijk elan der vaderen is onder de huidige studenten verdwenen. ‘Ik kan U niet zeggen, mijne vrienden, hoe diep het mij smart, dit alles te moeten zeggen.’[40] Hij stelde dat de gereformeerden behoefte hadden aan bekering door de Heilige Geest. De leer is wel goed, maar de leven moet er aan beantwoorden. Op dit punt viel er zijns inziens veel te leren van de ethischen. Daarbij had Aalders het niet over het beginsel van de ethische theologie, maar over hun nadruk op het leven, op de geloofspraktijk, op de persoonlijke religieuze ervaring.[41]

De organisatoren konden tevreden zijn. Het referaat van Aalders sloot naadloos aan bij hun wensen: een gereformeerd alternatief voor de NCSV.[42] En opnieuw, als in zijn eerste brochure, wees hij op het persoonlijk geestelijk leven als het hart van de zaak.

De Reformatie

Bovenvermelde oproep om te komen tot een eigen periodiek voor de vooruitstrevende gereformeerden werd gehoord.[43] H.W. van der Vaart Smit, die zich herkende in De critiek der jongeren, nam het initiatief om tot een dergelijk orgaan te komen.[44] Toen het blad uiteindelijk in september 1920 voor het eerst verscheen, bleek Aalders niet in de redactie te zitten. Ook de namen van medestanders als Brussaard en Geelkerken ontbraken. De Beweging der Jongeren was op dit punt in het bredere verband der kerken ingekapseld. Conservatieve krachten als V. Hepp, De Moor en Grosheide hadden hun werk gedaan. Hepp werd de sterke man, bijgestaan door K. Dijk. Voor Aalders, inmiddels predikant te Batavia, was deze samenstelling van de redactie een teleurstelling. Ze berustte al te zeer op een kerkpolitiek compromis en hij verwachtte er daarom weinig goeds van. Het blad zal niet bijdragen om ons uit de kerkelijke impasse te helpen, zo meende hij. ‘Het zal of conservatief overvleugeld worden, of de conservatieve elementen moeten uitscheiden.’[45]

Overigens is het van belang de wordingsgeschiedenis van De Reformatie niet los te zien van de ontwikkelingen binnen de Beweging der Jongeren. Rond een aantal van hen die daartoe worden gerekend hadden zich problemen voorgedaan. Netelenbos was vanaf 1917 in een kerkelijke procedure terecht gekomen, ds. C. Veltenaar had een zeer kritisch ontvangen brochure over de Bijbelkritiek geschreven, net als Van der Vaart Smit, en Geelkerken zou zich met zijn reactie op de synode van Leeuwarden (1920) bijna onmogelijk maken. ‘Het had er alle schijn van dat de beweging der ‘jongeren’ ten gevolge van de ontwikkelingen in de jaren 1918 en 1919 uiteen gevallen was, nog voor zij goed en wel vorm had gekregen.’[46] Aalders was intussen van het Nederlandse toneel verdwenen.

Indië

Eind 1918 werd Aalders predikant bij de Kwitangkerk te Batavia.[47] H.C. Rutgers, secretaris van de NCSV, reageerde kritisch. Hij vermoedde een welbewust plan achter het vertrek van ds. W.G. Harrenstein (predikant te Medan), die positief tegenover de NCSV stond, en Aalders. Hij noemde hen de ‘ooilammetjes’ die nu de NSCV waren afgenomen.[48] Deze suggestie gaat erg ver en laat buiten beschouwing dat een keuze voor Indië ook uit de betrokkenen zelf was voortgekomen. Aalders had het in de GKN steeds benauwder gekregen, en toen Colijn zich tot hem wendde met het verzoek om predikant te Batavia te worden en een gesprek met A.W.F. Idenburg hierover bevredigend verliep, gaf hij zich al snel gewonnen.[49] De suggestie van Rutgers valt in ieder geval niet hard te maken. Opvallend is wel hij en zijn collegae H.A. van Andel, B.J. Esser, Harrenstein, J.H. Sillevis Smitt, J.H. Bavinck en J.A.C. Rullmann lid waren van de Vereeniging Indische Oud-leden der Nederlandsche Christen-Studenten Vereeniging.[50] Het waren bepaald geen conservatieve krachten die naar Indië vertrokken. Wellicht zochten ze, net als Aalders, een ruimer geestelijk klimaat.[51] Op 22 december 1918 werd Aalders door ds. D. Bakker bevestigd. ’s Avonds deed hij intrede. ‘Bij beide diensten was het kerkgebouw overvol en er werd geweldig geofferd.’[52] Vooral in het huis- en ziekenbezoek was Aalders in zijn kracht. ‘Hij verwierf er zich niet weinig trouwe vrienden door.’ Daarnaast zette hij zich in voor de verzelfstandiging van het inlandse deel van de gemeente.

Blijvende kritiek

Wie verwacht had dat Aalders voortaan zou zwijgen over de kerkelijke situatie in Nederland, kwam bedrogen uit. Al spoedig na zijn komst in Indië werd hij hoofdredacteur van het Kerkblad voor de Gereformeerde Kerken in Nederlandsch-Oost-Indië.[53] Het blad moest niet alleen, zo meende hij, officiële en officieuze mededelingen bevatten, maar ook aandacht hebben voor het persoonlijk geestelijk leven, voor kerkelijke vraagstukken en voor de problemen van de moderne tijd. Voor hem was dat de vervulling van de christelijke persroeping.[54] Hij heeft zich vol overgave aan deze roeping gewijd.[55] Daarbij valt op dat hij veel aandacht besteedde aan de kerkelijke situatie in Nederland. Inhoudelijk sloot hij aan bij hetgeen hij in zijn beide brochures had gesteld. De toon lijkt hier en daar wat scherper te zijn. Een en ander leidde aan het eind van 1919 tot botsingen met Esser en Grosheide. De eerste, predikant te Poerbollingo, herkende zich niet in de te grote nadruk op het objectief-verstandelijke, die zijn opponent in de gereformeerde prediking ontwaarde. Hij daagde hem uit zijn beweringen in het GTT te staven met een wetenschappelijk artikel.[56] Aalders achtte het niet verstandig uitvoerig te reageren.[57]

Ook Grosheide reageerde in het Kerkblad voor Indië.[58] Kern van zijn bezwaar was dat hij intellectualisme, formalisme en dergelijke anders beoordeelde dan Aalders. In feite herhaalde hij wat Esser ook reeds had gesteld, namelijk dat het daarmee wel meeviel. Expliciet nam hij het op voor de ‘leiders’ van het gereformeerde volk, door Aalders nogal eens openlijk aangesproken. Bovendien maakt Grosheide zich zorgen om het feit dat het bij de Jongeren al lang niet meer ging om aanvulling van de Belijdenis, men wilde haar wijzigen op kardinale punten als het stuk van de kerk en de Schrift. En tenslotte keerde Grosheide zich tegen hen die zich ‘in de stroom der kultuur’ wierpen. Dat zag hij onder meer bij de NCSV gebeuren.

Aalders repliceerde in hetzelfde nummer. Opnieuw, als in de eerder genoemde correspondentie met Grosheide, was de toon verzoenend. De predikant van Batavia wilde wel toegeven dat hij misschien een te grote nadruk legde op de ‘objectieve’ tendentie in de prediking. Tevens sprak hij duidelijk uit dat er in de houding van veel jongeren iets overdrevens was. Desalniettemin was er zijns inziens ‘waarlijk nog wel plaats voor een ethisch-mystische inslag naast de heerschende dogmatisch-intellectualistische richting.’ Ook nu weer kwam het tot een briefwisseling tussen Grosheide en Aalders.[59]

Het lijkt erop dat de inzet van Grosheide effect heeft gesorteerd. De jaargang 1920 bevatte namelijk aanvankelijk minder kritisch getoonzette artikelen van Aalders. Zelfs werd hier en daar nogal positief over de gereformeerde leidslieden gesproken. Zo reageerde hij verheugd op artikelen in De Heraut en De Bazuin (febr. 1920) waarin positiever dan voorheen over de ‘jongeren’ werd gesproken en vergaf hij groothartig de eerder op zijn persoon geuite kritiek in deze bladen.[60] Ook was hij vol waardering over een rectorale oratie van A.G.[61] en oordeelde hij gunstig over de zeer omstreden synode van Leeuwarden (1920): ‘Al onze wenschen zijn ingewilligd’.[62] Dat sloeg niet alleen op enkele besluiten betreffende de situatie van de kerk in Indië. Opvallend is verder dat Geelkerken de kans kreeg zijn standpunt in de zaak-Netelenbos uiteen te zetten en dat H.H. Kuyper geroemd werd vanwege een artikel over de revisie van de Belijdenis.[63] Verder schreef Aalders series over Tolstoi, Helene Schwartz en over christendom en cultuur. Al met al: de toon is minder polemisch. Het ligt voor de hand hierbij aan de invloed van Grosheide te denken.

Aan het eind van het jaar 1920 vlamde de polemiek echter weer op. Aalders nam in een herdenkingsartikel afstand van de ‘latere’ Kuyper.[64] Hij bespeurde de laatste jaren ‘verdorring van zijn geest’, het was de oude Kuyper niet meer. Zijn afgang en uitgang was een publiek geheim. ‘Wij zien in dit alles leiding Gods.’ Zeker, Kuyper heeft Gods werk gedaan. Maar hij heeft er ook zijn eigen werk door heen gevlochten. ‘Dit laatste draagt het stempel zijner zondige persoonlijkheid. Dat zal dan ook vergaan en verbroken worden.’ Voorwaar geen kiese en tactische wijze om Kuyper te gedenken. Het moment was slecht gekozen, het oordeel aangezet met grote woorden. Wel legde hij in twee volgende artikelen nog eens uit hoezeer hij zich gebonden wist aan de ‘jonge’ Kuyper en wat de kerken van deze Kuyper zouden kunnen leren. Maar de grote, veroordelende woorden waren gesproken, het kwaad was geschied.[65] Het was in deze zelfde weken dat hij in afwijzende zin over De Reformatie schreef (zie boven). En naar aanleiding van een ingezonden brief ging hij in vier lange artikelen in op de kerkelijke situatie.[66] De toon was kritischer dan voorheen, hier en daar geagiteerd, zijn oordeel zwaar: ‘De Here is van onze Kerken geweken. Er hangt een ban over ons.’[67] Kortom, aan het einde van 1920 profileerde Aalders zich op nieuw als een kritische predikant met de trekken van een boeteprediker.

Het is vooral zijn Kuyper-herdenking geweest die kwaad bloed heeft gezet. Collega Esser schreef een piëteitvolle herdenking van Kuyper, ongetwijfeld bedoeld als correctie.[68] De reactie van Aalders daarop was kleinerend, en Harrenstein, die goed met Aalders overweg kon, reageerde kritisch.[69] Esser deelde mee dat het verschil tussen hem en zijn collega niet lag in de diagnose maar in de therapie, en daarmee raakte hij mijns inziens de kern van de zaak.[70] De wijze waarop Aalders zich uitte, was lang niet altijd tactisch, dat moest wel reactie oproepen. A.A.L. Rutgers, directeur van het Rubber Proefstation te Medan, reageerde eveneens kritisch op de artikelen van Aalders, in het bijzonder op de profetische toon die hij daarin meende te ontwaren en die hij niet terecht achtte.[71]

Ook in Nederland kwamen de reacties op zijn Kuyper-beschouwing los, voor Aalders reden zich uit te laten over de psychische gesteldheid van de leiders der kerkelijke pers: zij duldden geen kritiek.[72] In het nummer van 7 april meldde hij dat hij zijn redacteurschap wilde neerleggen. Als reden gaf hij op zijn drukke ambtswerkzaamheden, maar daar werd blijkens reacties weinig geloof aan gehecht.[73] Op die suggesties ging hij niet in, wel gaf hij een rechtvaardiging van zijn kritische houding onder de titel: ‘Het goed recht onzer critiek’.[74] Hij vroeg zich af of er voor de kritische jongeren (Brussaard, Wielenga, Geelkerken, Aalders) nog plaats was in de GKN. Al wie zich verzette tegen de heersende geest in de kerken was bij voorbaat verdacht. Hij vroeg een rechtmatige plaats voor een kritische houding, voor een ethisch-mystieke accentuering van het kerkelijk leven, naast de andere accenten. Waar die ruimte niet is, zo profeteerde Aalders, wordt een breuk in de kerken voorbereid.

Zoals gezegd wilde Aalders vanwege de negatieve reacties op zijn artikelen zijn werk als redacteur neerleggen. Zover is het echter niet gekomen. De kerkenraad van Batavia, die veel waardering uitsprak voor zijn werk als redacteur, deed aan de classis het voorstel tot een betere taakverdeling te komen.[75] Aldus werd door de classis besloten. Aalders zou voortaan twee rubrieken voor zijn rekening nemen: de Schriftbeschouwing (meditatie) en de rubriek Ons Persoonlijk Geestelijk leven. Daaraan heeft hij zich de volgende jaren gehouden. Gezien het karakter van deze rubrieken was de toon van zijn artikelen niet langer polemisch maar vooral pastoraal. Daarmee verdween hij voor de redactie van bladen als De Heraut en De Bazuin min of meer uit het zicht. Niet langer werden zij vanuit het verre Indië door een oproerkraaier met kerkbode-artikelen bestookt. Aalders was terzijde getreden, en niemand kon in hem meer de woordvoerder van de Jongeren zien. Hij had daarvoor mijns inziens ook het formaat niet, hoewel achteraf op zijn analyse van de kerkelijke situatie weinig valt af te dingen. Maar de pennenstrijd in de kerkbode leverde hem te veel spanningen op, en een groot tacticus was hij niet. Hij trad terug. Deze houding – het terzijde treden – moet hem zelf veel rust hebben gegeven, en het bracht hem in ieder geval tot concentratie van zijn krachten op het terrein waarvoor hij wellicht de meeste gaven had: het pastoraat. Kort na de komst van J.A.C. Rullmann in maart 1924 als tweede predikant vertrok Aalders voor verlof.

Tijdens zijn verlof in Nederland besloot Aalders niet terug te keren naar Indië. Ongetwijfeld speelde daarin mee dat hij ook in Indië conflicten met gemeenteleden had (gehad), maar wellicht ook de opleiding van zijn kinderen. Een tijd van wachten begon. Ondertussen was het klimaat in de GKN veranderd. Toen Aalders naar Indië vertrok, leefde bij velen binnen de GKN de hoop dat er een veranderingsproces op gang gebracht zou kunnen worden. Het was echter, aldus zijn zoon C. Aalders, ‘een deceptie om weer met Nederland kennis te maken.’[76] Niet alleen was het veranderingsproces door de synode van Leeuwarden (1920) gestuit, de spanning rond Geelkerken begon in de loop van 1925 steeds verder toe te nemen. Ook Aalders was verdacht, aldus dezelfde zoon, en een beroep viel niet zo gemakkelijk te verkrijgen. Toen hij op een tweetal voor Heemstede stond, deed, aldus zijn andere zoon, dr. W. Aalders, daar het gerucht de ronde dat Aalders ethisch was. Het beroep werd uitgebracht op J. Ubels, die hem overigens korte tijd later te Batavia als predikant zou opvolgen. In ieder geval voor het besef van de nazaten lag er een duidelijk verband tussen Aalders’ progressieve stellingname en het feit dat er te lang op een beroep moest worden gebracht. Dat kwam uiteindelijk wel. Het werd Schoonhoven. Daar werd hij op 19 juli 1925 bevestigd. ‘Dat beroep was een gebedsverhoring.’[77

Aalders en de Beweging der Jongeren

Aalders gaf met zijn brochures en referaten (1916-1918) stem aan zijn weerzin tegen de rationalistische trek in de gereformeerde wereld en hij verlangde naar een herleving van de bevindelijk-mystieke vroomheid. Vanuit die geloofsbetrokkenheid wilde hij de vragen die de cultuur stelde opnieuw onder ogen zien. Of dit in het algemeen het kenmerkende verschil was tussen conservatieven en progressieven binnen de gereformeerde wereld rond 1920 zal nader onderzocht moeten worden. Vooralsnog ga ik ervan uit dat in de Beweging der Jongeren verschillende motieven vallen aan te wijzen. Het motief dat bij Aalders centraal staat, is daar één van. Daarbij is duidelijk dat hij zich verwant wist met de ethischen. Het was geen verwantschap met de ethische theologie, maar met de spiritualiteit van veel ethische theologen. Dat geldt ook voor enkele anderen. Dit impliceerde kritiek op de hoofdstroming binnen de GKN, en hoewel de toon waarop Aalders in deze jaren schreef nog veelszins acceptabel was, werd hem deze kritiek niet in dank afgenomen. Daarvoor was de spanning in de GKN inmiddels te groot geworden. Deze spanning kwam tot uitdrukking in de wordingsgeschiedenis van De Reformatie, waar naar het oordeel van Aalders conservatieve krachten zich meester maakten van dit blad, oorspronkelijk bedoeld als orgaan van de Beweging der Jongeren. Hij was hierover zeer teleurgesteld en bevroedde dat het met De Reformatie de verkeerde kant op zou gaan. Zijn intenties met betrekking tot het geestelijk leven komen tot uitdrukking in een passage uit het Handboekje ten dienste van de Gereformeerde Kerken van Nederlandsch-Oost-Indië van 1923: ‘Het gevaar voor dogmatisme en formalisme is hier zoo groot niet, wel voor vervloeiing, geestelijke anarchie en ontaarding. Ons is voor alles nodig dat zich huwe aan groote intellectueele klaarheid een innige mystieke diepte.’[78] Om deze kern draaide heel zijn kerkelijk streven: de Gereformeerde Kerken in Nederland waren hem te koud, te kil, te rationalistisch, en hij stond daarin niet alleen.


[1] Zie M.J. Aalders, ‘Aalders (Ihrhove)’, in: P. van Beek e.a. (red.), De dolerenden en hun nageslacht (Kampen 1990) 120-129.

[2] Overigens was de moeder van G.J.D. Aalders een dochter van de Waalse predikant J.D. Cocheret de la Morinière. Zie over hem M.J. Aalders, ‘De gefrustreerde loopbaan van Jean Daniel Cocheret de la Morinière (1794-1860)’, DNK, 29 (1996) no 44, 19-40.

[3] G.Ch. Aalders, ‘Ds G.J.D. Aalders’, Jaarboek ten dienste van de Gereformeerde Kerken in Nederland, 1927, 353-354, aldaar 353.

[4] De derde zoon, H.W. Aalders (1885-1945) werd onderwijzer. In tegenstelling tot zijn beide broers heeft J.C. Aalders geen van zijn kinderen naar zijn vader vernoemd. Wel vernoemde hij zijn moeder en zijn schoonvader Cornelis Ingwersen.

[5] G.Ch. Aalders begon zijn academische studie met de klassieke letteren. Na het kandidaatsexamen stapte hij over naar theologie.

[6] Hoewel Aalders het woord mystiek vaak gebruikt, dient dit niet te worden verstaan in de klassieke zin. Deze was hem te weinig gebonden aan Gods openbaring in Christus.

[7] W. Aalders, Johannes Christiaan Aalders. Dit ‘In memoriam’ werd na zijn overlijden opgetekend, maar is nooit gepubliceerd. In: HDC, Familiearchief Aalders, 508, Artikelen over J.C. Aalders

[8] Van Beek, De dolerenden van 1886 en hun nageslacht, 69-70.

[9] Zie hierover Kuiper, De voormannen, 460-462, 555-557.

[10] Kuiper, De voormannen, 557.

[11] Kuiper, De voormannen, 256; Harinck, De Reformatie, 27-30.

[12] Aalders beroept zich onder meer op J.C. Sikkel, In heilige roeping. De leidingkwestie in de antirevolutionaire partij (Amsterdam 1916). Vgl. Kuiper, Tussen observatie en participatie, 101-122 en 347-364.

[13] Veruitwendigen onze kerken?, 18.

[14] Veruitwendigen onze kerken?, 19. Met een beroep op W. Leendertz, P.D. Chantepie de la Saussaye, H. Bavinck, J.H. Gunning Wz. en J. van Andel.

[15] Vgl. Harinck, De Reformatie, 28-30.

[16] Veruitwendigen onze kerken?, 24-25. Vgl. E. Doumergue, De gereformeerde vroomheid volgens Calvijn (Kampen 1908).

[17] Kuiper, De voormannen, verwijst op blz. 359 naar deze mystieke ader op grond van een brochure van Aalders uit 1927. M.i. speelt dit thema in al zijn publicaties een rol, ook in zijn eerste.

[18] Beide brieven waren ten tijde van het onderzoek in het bezit van dr. W. Aalders te Bussum.

[19] C.J. de Kruijter, ‘De erfenis niet geweigerd. Ds. Jan Bernard Netelenbos (1879‑1934)’, JGGKN 6 (1992) 83‑129.

[20] Zie C. Augustijn, ‘Kuypers rede over ‘De hedendaagsche `Schriftkritiek’ in haar historische context’, in: C. Augustijn en J. Vree, Abraham Kuyper: vast en veranderlijk. De ontwikkeling van zijn denken (Zoetermeer 1998) 109-148.

[21] Zie A.J. van den Berg, ‘De gereformeerden en de NCSV, met name in de jaren 1915‑1930’, JGGKN 2 (1988) 121‑150, en idem, De Nederlandse Christen‑Studenten Vereniging 1896‑1985 (Den Haag 1991).

[22] F.W. Grosheide, Een andere geest? Rede gehouden op de jaarvergadering van de Unie SSR, Leiden 13 februari 1918 (Baarn 1918).

[23] Grosheide, Een andere geest?, 22.

[24] De critiek der jongeren. Een woord tot de Gereformeerde Kerken (Baarn z.j.= 1918). Aalders zal zich ook in later jaren voortdurend op zijn geweten beroepen. Hij moest spreken, en dat spreken was vaak kritisch.

[25] Zo eveneens Kuiper, De voormannen, bij wie de aanduiding ‘jongeren’ een mentaliteit aanduidt. Zo ook Harinck, De Reformatie, 32-33.

[26] De critiek, 21.

[27] De critiek, 24.

[28] Harinck, De Reformatie, 33-37.

[29] ‘Onze kerkelijke krisis’ VIII, Kerkblad voor de Gereformeerde Kerken in Nederlandsch Oost-Indië, 18 september 1919.

[30] HDC, Archief Grosheide, 12 december 1919, van J.C. Aalders aan F.W. Grosheide.

[31] HDC, Archief Grosheide, 11 mei 1918, van J.C. Aalders aan F.W. Grosheide

[32] Aalders, ‘Dr. J.G. Geelkerken (1879-1960), in: Harinck (red.), De kwestie-Geelkerken, 43-67.

[33] Ook deze brief was ten tijde van het onderzoek in het bezit van dr. W. Aalders te Bussum.

[34] Harinck e.a. (red.), Als Bavinck nu maar eens kleur bekende’.

[35] In Fraternitas 5 (1918) 114-120, is een uitgebreide bespreking van ‘De critiek der jongeren’ opgenomen onder de titel ‘Wat de Pers zegt’.

[36] Het initiatief daartoe was mede door Bavinck genomen, zie Harinck, De Reformatie, 36-37; Van den Berg, ‘De gereformeerden en de NCSV’, JGGKN 2 (1988), 133-134.

[37] J.C. Aalders, ‘De gereformeerde student gezien met het oog op het verleden en op de toekomst’, Fraternitas 5 (1918) 166-179.

[38] Fraternitas 5 (1918), 170.

[39] Fraternitas 5 (1918), 170.

[40] Fraternitas 5 (1918), 175.

[41] Fraternitas 5 (1918), 178. Vgl. zijn kritische bespreking van M.J.A. de Vrijer, De gereformeerd-ethischen (Utrecht 1920), Het Kerkblad voor Indië, 5 augustus 1920, ‘Ethisch en gereformeerd, dat is en blijft twee.’ Zie ook J.C. Aalders, ‘Ethisch en Gereformeerd’, I-II, Kerkblad voor Indië, 3 en 17 februari 1921.

[42] Aalders was oud-lid van de NCSV. Dit hoeft niet te betekenen dat hij nu de NCSV afwees. Er waren vele dubbellidmaatschappen, zie Van den Berg, ‘De gereformeerden en de NCSV’, JGGKN 2 (1988), 142.

[43] Zie hierover Harinck, De Reformatie, 38. Overigens bepleitte Aalders geen ‘jongeren-orgaan’, maar een orgaan voor de progressieve krachten in de GKN.

[44] Harinck, De Reformatie, 38-67.

[45] Kerkblad voor Indië, 11 november 1920, ‘Een nieuw blad’. Ook Geelkerken was negatief, zie Harinck, De Reformatie, 65.

[46] Harinck, De Reformatie, 67.

[47] Zie over deze kerk Gedenkboek vijftigjarig bestaan der Gereformeerde Kerk te Batavia 1877-1927 (Rijswijk 1927).

[48] Van den Berg, ‘De gereformeerden en de NCSV’, JGGKN 2 (1988), 129.

[49] Acta GS Leeuwarden 1920, 254-255; G. Puchinger, ‘Gesprek met C. Aalders’, Praktische Theologie. Nederlands tijdschrift voor pastorale wetenschappen 2 (1975) 291-305, aldaar 293. Zie ook ‘We hebben een venster op de eeuwigheid nodig.’ Dr W. Aalders over zijn levenslange pleidooi voor innerlijkheid’, Wapenveld, 49 (1999), no 2, 58‑69. Zie verder HDC, Archief Idenburg, 5, Algemene briefwisseling 1918, 17 en 22 april 1918, van J.C. Aalders aan A.W.F. Idenburg; z.d., van A.W.F. Idenburg aan J.C. Aalders (afschrift). Een jaar tevoren was Aalders een beroep naar Batavia misgelopen als gevolg van de slechte verbindingen. Hij werd toen predikant in Bunschoten. Colijn was sedert 1917 lid van het deputaatschap voor de ‘verstrooide gereformeerden in onze Oost-Indische bezittingen’. Het behoorde derhalve tot zijn taak om zich met dit soort zaken bezig te houden. Zie Herman Langeveld, Dit leven van krachtig handelen. Hendrikus Colijn 1869-1944 ( z.p. 1998) 299-300.

[50] Zie P.N. Holtrop, ‘De NCSV op de serambi. De Vereeniging Indische Oud-leden der Nederlandsche Christen-Studenten Vereeniging, 1920-1940’, Documentatieblad voor de Geschiedenis van de Nederlandse Zending en Overzeese Kerken 1 (1994), no 1, 25-61. Aalders wordt als lid genoemd in de eerste twee ledenlijsten, 1921 en 1923. In 1925, toen de derde ledenlijst verscheen, was hij reeds uit Indië vertrokken.

[51] De reis naar Indië duurde als gevolg van de oorlogsomstandigheden langer dan gebruikelijk. De familie reisde over de VS, de Hawai-eilanden en Japan. Hij werd georganiseerd door H. Colijn. Zie Puchinger, ‘Gesprek met C. Aalders te Utrecht’, Praktische Theologie 2 (1975), 293. Zie ook ‘Wij hebben een venster op de eeuwigheid nodig’, Wapenveld 49 (1999), no 2, 60.

[52] A. Algra, De Gereformeerde Kerken in Nederlands-Indië, Indonesië (1877-1961) (Franeker z.j. = 1967) 160.

[53] Algra, De Gereformeerde Kerken, 225, en Kerkblad voor Indië, 6 februari 1919, ‘Redactiewisseling’.

[54] Kerkblad voor Indië, 20 februari 1919, ‘Ons Kerkblad’.

[55] In het Gedenkboek staat vermeld dat Aalders 1286 kolommen heeft gevuld tijdens zijn Indische jaren.

[56] Kerkblad voor Indië, 9 oktober 1919, ‘Open brief aan ds J.C. Aalders’.

[57] Kerkblad voor Indië, 30 oktober 1919, ‘Antwoord aan dr. B.J. Esser’.

[58] Kerkblad voor Indië, 18 december 1919, ‘Open brief’, met een ‘Antwoord’.

[59] Alleen de brief van Aalders is bewaard gebleven. HDC, Archief Grosheide, 12 december 1919, van J.C. Aalders aan F.W. Grosheide.

[60] Kerkblad voor Indië, 8 april 1920, ‘Eindelijk beter koers’.

[61] Kerkblad voor Indië, 22 april 1920, ‘Boekaankondiging’, naar aanleiding van A.G. Honig, Schrift en ervaring (Kampen 1920).

[62] Kerkblad voor Indië, 4 november 1920, ‘De Generale Synode’. Zo stemde hij in met de afzetting van Netelenbos en was hij blij met de besluiten betreffende de uitbouw van de Belijdenis, de liturgie en het voornemen een nieuw catechetisch boek samen te stellen. Ook nam de synode enkele belangrijke besluiten voor de Indische kerken.

[63] J.C. Aalders, ‘Een belijdenis voor héél ons geloof’, Kerkblad voor Indië, 22 juli 1920.

[64] Kerkblad voor Indië, 25 november 1920, ‘Bij Kuyper’s dood’.

[65] Op 2 en 9 december 1920 schreef hij onder het kopje ‘Reformatie’ nog iets meer over het verschil tussen de oude en de jonge Kuyper.

[66] Kerkblad voor Indië, 2, 9 en 23 december 1920, ‘Schrijven aan den heer J. de Wit’, I-IV.

[67] Kerkblad voor Indië, 23 december 1920, ‘‘Schrijven aan den heer J. de Wit’, III.

[68] Kerkblad voor Indië, 16 december 1920, B.J. Esser, ‘Aan de groeve van Dr. A. Kuyper’.

[69] Kerkblad voor Indië, 6 januari 1921, ‘Een welgemeende vraag aan Ds. Aalders’, gevolgd door een reactie van Aalders, Een even welgemeende wedervraag aan Dr. Harrenstein. Naar aanleiding van J.C. Aalders, ‘Schrijven aan den heer J. de Wit’, III, Kerkblad voor Indië,23 december 1920.

[70] Kerkblad voor Indië, 13 januari 1921, B.J. Esser, in de rubriek Ingezonden, zonder titel.

[71] Kerkblad voor Indië, 27 januari 1921, A.A.L. Rutgers, in de rubriek Ingezonden, zonder titel. Met een ‘Naschrift’ van J.C. Aalders.

[72] Kerkblad voor Indië, 10 maart 1921, ‘Recht op een eigen overtuiging’. Een vriendelijke correctie door Grosheide over de wijze waarop Kuyper werd herdacht (Aalders wordt niet genoemd) verscheen in het Noord-Hollandsch Kerkblad, 4 maart 1921, ‘Kritiek’, en werd door Aalders opgenomen in het Kerkblad voor Indië, 28 april 1921.

[73] Kerkblad voor Indië, 7 april 1921, in de rubriek Kerknieuws, onder Batavia, punt 9. In dat zelfde nummer verweert hij zich tegen kritek van de Haagse emeritus Js. van der Linden, onder de titel ‘Verkeerd opgevat’. Zie ook Kerkblad voor Indië, 21 oktober 1921, ‘Redaksie Kerkblad’, een spotdicht van B.G. Netelenbos op het feit dat Aalders bijna de hele kerkbode vulde. Zie ook Kerkblad voor Indië, 28 april 1921, A. Bogaart, ‘Wat nu?’

[74] Kerkblad voor Indië, 5 mei 1921, ‘Het goed recht onzer critiek’. Hetgeen weer leidde tot een reactie van zijn organist P. Bergmeijer in het Kerkblad voor Indië van 12 mei 1921, ‘Aan den redacteur van het Kerkblad’. Pas in het nummer van 23 juni 1921 reageerde Aalders, ‘Antwoord aan broeder Bergmeijer’. Het was het laatste polemische artikel in het Kerkblad voor Indië.

[75] Kerkblad voor Indië, 28 april 1921, in de rubriek Kerknieuws, onder Batavia.

[76] Puchinger, ‘Gesprek met C. Aalders uit Utrecht’, Praktische Theologie 2 (1975), 293.

[77] Puchinger, ‘Gesprek met C. Aalders uit Utrecht’, Praktische theologie 2 (1975), 294.

[78] J.C. Aalders, ‘Kerkelijk overzicht. Ons kerkelijk bestaan in ’t verloopen jaar’, Handboekje ten dienste van de Gereformeerde Kerken van Nederlandsch-Oost-Indië 5 (1923) 3-8, aldaar 8.

"Ik bedacht dat God, als Hij al bestaat, een vreemd sujet moet zijn als hij ervoor kiest om bomen eeuwenlang in alle rust te laten leven en het mensenleven kort en zwaar maakt." Uit: Philippe Claudel, Het verslag van Brodeck, 92.