Zoeken

Cent Pieter van Andel. Een biografische schets PDF Afdrukken E-mailadres

 

Uit: Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme

ANDEL, CENT PIETER VAN, * Dubbeldam 15 sept. 1916, † Appelscha 31 okt. 1997. Zn. Van Gijs van Andel, architect, en Aagje in ’t Veld. Theol. Utrecht 1934, Bazel 1938; dr. theol. Utrecht 1955 (promotor: W.C. van Unnik). Herv. hulpprediker IJmuiden 1939; herv. pred. Tjerkgaast c.a. 1940, Spannum 1945, Borne 1948, ’s- Gravenhage 1956; secretaris van de Raad voor de Zaken van Overheid en Samenleving 1961; directeur Diaconaal Centrum Amsterdam 1970-1973 (bed. neergel.). Docent filosofie Sociale Academie Amsterdam 1973. Directeur Anne Frankstichting 1976-1978, daarna nog tot 1981 studiemedewerker aldaar. Hij huwde op 2 september 1940 met Geertruida Maria Petronalla Jacobsen, geboren 26 juni 1920 Maarssen.

Het predikantschap van Van A. werd van meet af gekenmerkt door een groot maatschappelijk engagement. Daarbij was hij links georiënteerd. Zo was hij in 1945 actief betrokken bij de oprichting van de PvdA en ontwikkelde hij tijdens zijn predikantschap te Borne een grote belangstelling voor het industriepastoraat. Sinds 1950 was hij lid van de Herv. Raad voor de Catechese; hij schreef ook enkele gedeelten voor het Catechetisch leerboek. Daarnaast bleef hij studeren. In 1955 promoveerde hij op een studie over de invloed van de Joodse apocalyptiek op het N.T.

Latere publicaties hingen samen met de ontwikkelingen in de moderne samenleving. Met zijn collega A.J. Jörg in Delden schreef hij bijvoorbeeld tijdens zijn jaren in Borne vier brochures over Kerk en werk. Zijn betrokkenheid op de samenleving kwam goed tot zijn recht in zijn functie als secretaris van de Raad voor de Zaken van Overheid en Samenleving. Op de ontwikkeling en groei van deze raad heeft hij als ‘teambuilder’ een grote invloed uitgeoefend. In deze tijd schreef hij een belangrijke studie over revolutie en gerechtigheid. De kernvraag van dit synodale discussiestuk was de vraag of in de revolutionaire bewegingen van de jaren ’60 tendensen aan het licht komen die sporen met de gerechtigheid die in de komst van Jezus Christus van Godswege gestalte krijgt. Die vraag wilde Van A. bevestigend beantwoorden. De kerk werd opgeroepen nadrukkelijk deel te nemen aan de strijd om recht en gerechtigheid. Van A. was ook nauw betrokken bij de oprichting van het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV) in 1967 – hij organiseerde ook een aantal jaren de interkerkelijke vredesweek – en bij de oprichting van de Anti Apartheidsbeweging Nederland, waarvan hij enkele jaren voorzitter was. In 1970 werd hij directeur van het Diaconaal Centrum van Amsterdam.

Drie jaar later werd hij docent filosofie, een functie die hem noopte zijn ambt neer te leggen. Vrucht van zijn laatste functie, directeur van de Anne Frankstichting, was de studie Jodenhaat en Jodenangst. Daarin interpreteerde hij het antisemitisme als een “elementaire vijandigheid”. Anders dan H. Jansen (in diens Theologie na Auschwitz) wilde hij deze echter niet als louter het gevolg van het christendom uitleggen, maar herkende hij hierin een menselijke grondhouding. Het antisemitisme is van alle tijden en komt onder de meest verschillende omstandigheden voor; het voldoet aan een menselijke behoefte om de verantwoordelijkheid voor het kwaad in de samenleving af te schuiven op de een of andere zondebok. Daartegenover bepleit hij een andere grondhouding, die van elementaire solidariteit. In zijn laatste boek, Rome en Jerusalem, ging Van A. in op de vraag of de houding van de Rooms-Katholieke Kerk tegenover het Jodendom na Auschwitz was veranderd. Hij concludeert dat dit als gevolg van het nog steeds aanwezige corporatieve denken nog te weinig het geval was.

Naast dit alles vervulde Van A. tal van bestuursfuncties. Zo was hij jarenlang lid (en een aantal jaren ook voorzitter) van de Raad voor Catechese,  zette hij zich in voor buitenlandse werknemers en was hij betrokken bij het industriepastoraat (Disk). Tijdens de laatste jaren van zijn werkzame leven openbaarde zich een slopende ziekte; na zijn pensionering trok hij zich terug in Oldeberkoop (Fr.).

 

G e s c h r.: De structuur van de Henoch-traditie en het Nieuwe Testament (diss.), Utr. 1955 (Studia Theologica Trajectina, 2). – Met anderen, Naar het volle leven der kerk (4 brochures, resp. Het werk en wij, Dienen en verdienen, Mens en medemens, Christen-zijn in beroep en bedrijf), z.p. 1956-1957. Met Ph.P. Everts, Some thoughts on the future of the na¬tion-sta¬te (Paper for the Conference on Christian Approaches to Defense and Disarma¬ment), Oxford 1968. – Revolutie en gerechtigheid. Nota van de Raad voor de Zaken van Overheid en Samenleving, ’s-Grav. 1969. – Jodenhaat en Jodenangst. Over meer dan twintig eeuwen anti-semitisme, Amersfoort 1983. – Rome en Jerusalem. Over de veranderingen in de rooms-katholieke sociale leer na Auschwitz, Voorburg 1988.

Artikelen o.m. in Tijd en Taak, Hervormd Nederland, WDt en Postille

Lit.: Maurits Schmidt, ‘: Geen vechterstype maar wel strijdbaar. Dr C.P. van Andel 1916-1997’  4 november 1997, in het Parool ; Jan Goossensen, ‘Rode Piet’ van Andel wilde eerherstel van de utopie’, Hervormd Nederland, 15 november 1997. ‘Er is maar een categorie: mensen’. Interview in het Friesch Dagblad 31 december 1988

 

M.J. AALDERS