Zoeken

Herman Bavinck PDF Afdrukken E-mailadres

 

Herman Bavinck voor de vierschaar der deputaten voor de oefening van het verband met de Vrije Universiteit

Op 7 juli 1919 ontving prof. H. Bavinck (1854-1920) een afvaardiging van de Deputaten voor de Oefening van het Verband. Dr J.C. de Moor (1878-1926)  en ds K. Fernhout (1858-1953) bespraken met hem de zorgen die in de kring der Deputaten leefden over het onderwijs van prof. Bavinck. De hiernavolgende citaten zijn genomen uit het bewaard gebleven verslag van dit gesprek. [i] Het commentaar is ontleend aan  onderzoek ten behoeve van de publicatie van een gedenkboek van de Faculteit der Godgeleerdheid der Vrije Universiteit dat in 2005 moet verschijnen.

… In Kampen heeft prof. B ook hetzelfde ervaren. Wanneer men zich als hoogleraar gaat ontwikkelen, krijgt men een anderen kijk op de zaken, doch heeft een blok aan het been, is gebonden, vleuggellam geslagen. Dat is niet verkeerd, zelfs wel noodig, doch het brengt mee dat zulk een hoogleraar toch eigenlijk zijn gedachten niet ten volle kwijt kan. Prof. trachtte de dogmatiek te doen zien in verband met het algemeen menschelijk denken. Liet hij zich daarbij gaan, dan zouden de jongelui zeker beneden hem blijven. Den hoogleeraar in de dogmatiek is een taak opgelegd, te zwaar om te dragen. In de 2/1/2 jaar moet hij de heele dogmatiek  door en jongelui opleiden voor het ambt. Hij zou veel langer erover willen doen, doch dat kan niet […]

In Kampen is de opleiding meer op de kerkelijke examina gericht doch, al wil prof. niets ten nadeele van prof. Honig [ii] zeggen ga over 25 jaar eens na, wie de theologische wetenschap beoefenen en verder brengen! Het bevredigt prof. niet, dat zoo velen promoveren zonder verder te studeeren, doch het zwaartepunt zal op den duur bij de meer wetenschappelijk opgeleide leerlingen der VU gaan liggen. Terwijl degenen die zoo goed examen konden doen, dan in de décadence zullen blijken te zijn […]

Het is bekend dat Bavinck op het punt gestaan heeft zich in 1919 te mengen in de discussie over spanningen binnen de GKN. Hij is er echter niet toe gekomen zijn uitgebreide aantekeningen in de vorm van een brochure uit te geven. Sommigen hebben dat betreurd: ‘Als Bavinck nu maar eens kleur bekende’. [iii] Het is een intrigerende, maar vooralsnog niet te beantwoorden vraag, of Bavinck zijn brochure uit 1919 (mede) in portefeuille heeft gehouden vanwege de kerkelijke moeilijkheden die hem wellicht boven het hoofd hingen. Want deputaten voor het verband besloten op 16 juni 1919 J.C. de Moor en  K.Fernhout af te vaardigen om met Bavinck over hun bevindingen van gedachten te wisselen. [iv] Er waren nogal wat klachten uit de kerken gekomen over de kandidaten van de VU, en bovendien hadden deputaten zo hun eigen waarneming van de college’s. Dit gesprek vond plaats op 7 juli 1919. Het kan Bavinck zowel gestimuleerd hebben zijn gedachten over de kerkelijke situatie op papier te zetten, als hem belemmerd hebben om deze gedachten in de vorm van een brochure te publiceren.

Met dit gespreksverslag vinden we voor het eerst een vast bewijs voor wat hier en daar gezegd wordt, namelijk dat in officiële kerkelijke kringen de weerstand tegen Bavinck aan het eind van diens leven begon toe te nemen. W.F. de Gaay Fortmann vertelt dat B. van Schelven, een vriend van zijn ouders en invloedrijk kerkbestuurder, na het sterven van Bavinck had opgemerkt, dat het tijd werd dat er aan de VU weer eens dogmatiek werd gedoceerd. [v] Ook Nauta wijst op de weerstand tegen Bavinck bij deputaten en curatoren. [vi] Hoe dit ook zij, de vermoedens en geruchten over de kerkelijke weerstand tegen Bavinck worden bevestigd door het feit dat hij door deputaten uitgenodigd werd tot een gesprek.

Fernhout opende het gesprek met een uiteenzetting van de reden van deze bijeenkomst. De studenten bleken bij de kerkelijke examina niet voldoende definities te kunnen geven; ze konden de dogmata slechts gebrekkig verdedigen; ze konden niet in voldoende mate het verband tussen Schrift en Belijdenis aantonen, en ze waren dogmatisch niet ‘belijnd’ genoeg. Natuurlijk wilden de kerken Bavinck niet verantwoordelijk houden voor de fouten der examinandi. Maar voor deputaten was het wel van belang  ‘wanneer zich een indruk in de kerken gaat vestigen’ dat het onderwijs in de dogmatiek aan de VU niet voldoende opleidt tot de kerkelijke examina. Dat was ook voor de VU van belang, omdat over de Theologische School dergelijke klachten niet binnenkwamen.Vandaar dat deputaten zich hadden afgevraagd wat hier aan te doen zou zijn. Daarbij verwees Fernhout ook naar de eigen bevindingen met betrekking tot de colleges van Bavinck. Menigmaal hadden deputaten zich afgevraagd: ‘zijn deze colleges, hoe bewonderenswaardig schoon ook, hoezeer ook getuigenis afleggend van de buitengewone gaven door God aan prof. B. verleend, hoe helder en warm ook, nochtans wel geschikt voor de meeste studenten? Gaan ze niet over hun hoofd heen? Zijn ze niet te philosophisch?’. Zonder Bavinck een advies te willen geven, hielden ze hem daarom toch voor of het misschien gewenst zou zijn ‘praktische colleges dogmatiek’ te gaan geven, naast de nu reeds bestaande. ‘Intusschen  moet prof. B. zelf weten wat gedaan kan worden om deze klacht te doen verstommen: wij brengen het slechts onder zijn aandacht’.

Het is een verwijt van een vileine schoonheid. In de eerste plaats wordt de wijze van examineren niet ter discussie gesteld. Verder gaat het voornamelijk over klachten van derden. Het eigen negatieve oordeel over de colleges wordt in de vorm van enkele vragen naar voren gebracht.  Tenslotte wordt Bavinck ronduit gechanteerd: over studenten van de School kwamen dit soort klachten niet binnen. Deze vergelijking, door deputaten in die jaren regelmatig gemaakt, hield rechtstreeks verband met het feit dat de VU geheel en al van vrijwillige bijdragen afhankelijk was. Als de kerkelijke sympathie vanwege het onderwijs van Bavinck over zou hellen naar Kampen, raakte dat de VU in haar bestaansmogelijkheden. In het tweede deel van het gesprek, na de repliek van Bavinck, werd hem nog eens zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de studenten voorgehouden. ‘Onder de jongeren is ook veel gevaar van afdwaling en het aannemen van leeringen buiten en boven de waarheid Gods, het zoeken van iets anders, ook daartegen moeten de colleges hulp bieden’. Hij die zo veel betekend had voor de ontwikkeling van de GKN, en die zoveel studenten gevormd had, wordt hier verweten dat hij te weinig deed om de dwalingen te voorkomen!

Alle vriendelijke en bescheiden woorden van deputaten kunnen de scherpte van de verwijten niet verhullen.

Bavinck wees volgens het verslag op de moeilijkheden die de dubbele rol van zijn ambt met zich mee bracht Hij moest studenten voorbereiden op de praktijk, maar hij moest ze ook een wetenschappelijke grondslag geven. Die spanning kent elke universiteit en elke hoogleraar, maar juist als gevolg van haar principiële basis wordt dit in het bijzonder aan de VU gevoeld. Vandaar dat men wel, aldus Bavinck, aan een splitsing van het dogmatisch onderwijs heeft gedacht. In de huidige situatie blijft het immers schipperen tussen beide verantwoordelijkheden. Als men teveel op de praktijk let, is men geen hoogleraar meer, doch zo iets als een repetitor. Dit laat zich echter niet verenigen met de roeping als hoogleraar. Aan de andere kant, als men het oog gericht houdt op de wetenschap, dan zullen de mindere studenten bij de examina een gebrekkige indruk maken. Maar de kerken moeten niet alleen oordelen op grond van de examina, maar ook willen wachten en na enkele jaren naar de vruchten vragen. Overigens had Bavinck wel eens een ‘praktisch’ college dogmatiek gegeven, maar dat was noch hem, noch de studenten bevallen.

Vervolgens stelde Bavinck dat hij zich op zijn colleges nog enigszins inhield.  Hij wijst erop dat als men zich als hoogleraar gaat ontwikkelen, men langzamerhand een andere kijk op de zaken kijkt. In dit kader vallen de opmerkingen die uit het document zijn afgeschreven. Bavinck vertelde iets over zijn werkwijze en zijn intenties, en stelde dat de vruchten daarvan op termijn wel zullen blijken. Met andere woorden: Bavinck gaf geen krimp!

Fernhout verklaarde enerzijds dat hij zich in belangrijke mate kon vinden in het betoog van Bavinck. Wel maakt hij bezwaar tegen de verwijzing naar het handboek. De viva vox is nodig, anders is er geen inspiratie. En hij wees op het gevaar onder de jongeren van afdwaling. De colleges moeten hen daartegen beschermen. Een compendium naast een meer wetenschappelijk college zou toch wel aanbevelenswaardig zijn. De Moor sloot zich daarbij aan. Deze deputaat keerde zich nog expliciet tegen de Amerikaanse oplossing –een hoogleraar voor de wetenschappelijke dogmatiek, en een hoogleraar voor de meer praktische kant van de dogmatiek -  waarnaar door Bavinck was verwezen: zo’n praktische hoogleraar zou bij Bavinck in het niet vallen, de studie met het oog op de kerkelijke praktijk zou een minderwaardig karakter krijgen.

Bavinck repliceerde dat een meer praktisch college als door deputaten gewenst naar zijn ervaring niet het gewenste effect zou sorteren, maar hij wilde de zaak nogmaals overwegen. Zijn laatste opmerking betrof de kerkelijke examina. Door de omstandigheden en tegenover vreemde examinatoren verkeerden de studenten in een moeilijke  positie. Met andere woorden: laten de kerken eens kijken naar hun examina!

De toon van het verslag heeft iets kruiperigs, dat weerstand oproept. Enerzijds druipt het van eerbetoon aan Bavinck -natuurlijk wil men hem niets voorschrijven - anderzijds is de kritiek die deputaten uiten keihard. Bavinck behoedt de jongeren niet voor afdwaling. Dat is de kern van hun verwijt. Maar Bavinck liet zich niet in een hoek duwen. Althans, dat blijkt niet uit het verslag. In feite leden deputaten voor de tweede keer in korte tijd een nederlaag tegenover de faculteit. Inzake de kwestie Van Gelderen had men toch min of meer bakzeil moeten halen. [vii]Anderzijds kan men de vraag niet onderdrukken of dit gesprek een rol gespeelt heeft bij Bavincks beslissing een voorgenomen brochure over de zaak Netelenbos niet in de openbaarheid te brengen. Hij was ongetwijfeld door Van Gelderen van diens bevindingen op de hoogte gehouden, en het is heel goed mogelijk dat hij zichzelf in zijn ouderdom dat wilde besparen.

De Moor en Fernhout hebben het rapport rondgezonden, maar commentaar heb ik niet aangetroffen. [viii] Op de vergadering van 20 januari 1920 werd het in het archief gedeponeerd. Men is niet meer op de zaak teruggekomen. Daarbij heeft wellicht ook de gezondheidstoestand van Bavinck een rol gespeeld.

Voor een goed begrip van de context van dit onderhoud is het van belang kennis te nemen van de spanningen die zich in toenemende mate binnen de GKN openbaarden. Door D.Th. Kuiper, G. Harinck en anderen is daar herhaaldelijk aandacht voor gevraagd. [ix] Daarbij bleef de houding van deputaten tot nog toe onderbelicht. Deze houding kenmerkte zich vanaf 1914 door een toenemende kritische distantie ten aanzien van de Faculteit der Godgeleerdheid. Het heeft er alle schijn van dat J.C. de Moor daarbij een belangrijke rol heeft gespeeld. [x] Vanaf 1914 nam het aantal kerkelijke klachten over de VU-kandidaten toe. In diezelfde tijd kwam het tot intensieve gesprekken tussen deputaten en Van Gelderen over diens visie op de historiciteit van de bijbelse gegevens en waren er spanningen tussen deputaten en de faculteit rond de benoeming van G.Ch. Aalders (1919). In dit kader is het gesprek tussen deputaten en Bavinck er één in een reeks van problemen. Deze culmineerden in  1925 in een heftige discussie over de bevoegdheid van deputaten bij de universitaire examens. [xi] Na die tijd lijkt de verhouding tussen deputaten en faculteit beter te worden. In ieder geval heeft men in het conflict Geelkerken (1926), waar allerlei spanningen uit voorgaande jaren culmineerden rond de vraag naar de aard van het schriftgezag, eendrachtig samen gewerkt. In het eerder genoemde te verschijnen gedenkboek van de faculteit der godgeleerdheid hoop ik op dit alles uitgebreid terug te komen.

 

M.J. Aalders

 

Verschenen als 'Bavinck voor de vierschaar der deputaten'. Historisch Tijdschrift GKN, 1 (2003), no 3, 15-21