Zoeken

Oudejaarsavond PDF Afdrukken E-mailadres

Op 31 december is het weer zo ver: oudejaarsavond. Voor sommigen is het een avond waarop de gemeente van Christus natuurlijk samenkomt. Anderen hechten er minder aan. Ze kijken naar Youp van 't Hek of denken weemoedig terug aan de conférences van Wim Kan. Hier en daar zijn kerkdiensten, maar niet overal. Er zijn nogal wat verschillen. In deze bijdrage wil ik iets over de achtergronden van de dienst op oudejaarsavond vertellen.

In 1619 kreeg de Gereformeerde Kerk in de Republiek een kerkorde. Een bundel spelregels die bedoelde het kerkelijk leven enigszins te reguleren en meer eenheid onder de protestanten te weeg te brengen. Zo wordt daarin onder meer bepaald wanneer er kerkdiensten zijn. De oudejaarsavond wordt niet genoemd. Wel wordt de 'dag van de besnijdenis' genoemd, de dag waarop de kerk stilstaat bij de besnijdenis van Jezus Christus. Dat is dus 1 januari. Uit onderzoek in allerlei prekenbundels is gebleken dat in de loop van de achttiende eeuw een accentverschuiving heeft plaatsgevonden. Men preekte nog wel over de voorgeschreven tekst, maar er kwam in de preek steeds meer ruimte voor beschouwingen over de kortheid en de onzekerheid van het leven.

In 1817 besloot de synode dat er op oudejaarsdag een kerkdienst zou zijn, bij voorkeur in de avond. Men achtte dit uur, op deze dag, zeer geschikt om ons tot ernst nadenken over onszelf te stemmen, en over de wegen van God 'met ons gehouden'. De dienst op nieuwjaarsdag bleef gehandhaafd. Waarom de synode dit besloot, is niet helemaal duidelijk. We kunnen ons voorstellen dat er een verband ligt met de woelingen van de Franse tijd. Wie veel heeft meegemaakt, heeft ook behoefte om daar op terug te zien. Overigens waren er toen nog geen oudejaarsavondliederen. Pas met de tweede uitgave van de bundel 'Evangelische Gezangen' is een rubriek 'bij de wisseling des jaars' opgenomen.

Velen van ons kunnen zich nog herinneren hoe op oudejaarsavond de overledenen werden herdacht. Ik weet niet van wanneer dat gebruik stamt, maar het sloot goed aan bij de teneur die de oudejaarsavonddiensten kenmerkte: bezinning op het voortjagen van de tijd en de vergankelijkheid van het menselijk leven. Sommigen, zoals de bekende godsdiensthistoricus en kenner van de liturgie dr. G. van der Leeuw, hebben bezwaar aangetekend tegen het gebruik op oudejaarsavond een kerkdienst te houden. Immers, de kerk laat zich niet gezeggen door het burgerlijk jaar, maar door het evangelie. Dat evangelie heeft het nergens over oud- en nieuw. Anderen, als de Utrechtse hoogleraar Van Ruler, hebben opgemerkt dat dat wel waar mag zijn, maar dat het heel heilzaam kan zijn als het kerkelijk jaar door het burgerlijk jaar 'gestoord wordt'. De kerk, zo meende hij, moet betrokken blijven op wat er in de samenleving gebeurt. In de concept kerkorde van de VPKN worden de diensten op 31 december en l januari niet genoemd. Dat is waarschijnlijk het gevolg van de grote invloed die de liturgische beweging heeft verkregen. En het is dus nog maar de vraag of we over 10 jaar nog samenkomen op oudejaarsavond.

Een andere wijziging heeft reeds plaatsgevonden. De gedachtenis der overledenen is in het laatste decennium verplaatst naar de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Dat is de zondag van de voltooiing, van de voleinding. We staan stil bij de wederkomst van Christus. Onze broosheid, onze vergankelijkheid mogen we beleven in het goede geloof dat de dood niet het laatste woord heeft. Overigens, men kan zich afvragen of dit de meest geschikte zondag is om hen die ons ontvielen te gedenken. De spanningsboog in de dienst wordt wel heel erg groot: er is verlies, er is verdriet, én we vieren de overwinning van Christus op de machten der duisternis. Het gevaar is dat we aan één van beide te kort doen. Of het verdriet wordt klemgezet met een beroep op ons geloof in de goede afloop van de geschiedenis. Of het perspectief daarop wordt versmald tot een nadruk op de nabijheid van Christus in ons verdriet. Sommigen pleiten daarom voor een gedachtenis der overledenen op Allerzielen.

Niet overal gaan op oudejaarsavond de kerkdeuren open. Wellicht dat ergens heel ver weg de Dordtse kerkenordening nog een rol speelt, en verzet tegen de almachtige synode van de negentiende eeuw. Maar ook de ontwikkelingen in de liturgie spelen een belangrijke rol. En, natuurlijk, onze persoonlijke voorkeur. Een beslissing valt op grond van argumenten niet te nemen. Althans, ik zelf voel wel wat voor de bovengenoemde argumentatie van Van Ruler.

Maar misschien moeten we nog dieper graven alvorens we een knoop doorhakken (als we dat tenminste willen). Mij valt althans op dat in de liturgische handboeken weinig aandacht is voor het feit dat de Oude Kerk gebroken heeft met de Joodse feesten die voor een deel geconcentreerd zijn in ons najaar. Daar kunnen we in ieder geval wel wat van leren als we zoeken naar een zinvolle viering van de oudejaarsavond. Want het Joodse oud en nieuw staat niet in het kader van de vergankelijkheid. Het staat in het kader van de omkeer, van de bekering. Aan Nieuwjaar gaan dagen van inkeer en verzoening vooraf. Een nieuwjaar wordt begonnen met een schone lei: de verhouding met God en met mensen wordt hersteld. Daarom ben ik ook blij met gezang 292. We kennen de melodie nog uit de hervormde bundel 1938: Uren, dagen, maanden, jaren. Inderdaad. De vergankelijkheid staat centraal. Maar onder hetzelfde nummer, op dezelfde melodie, is in het Liedboek een andere tekst opgenomen. Tekst van de messiasbelijdende Jood Isaac da Costa. Het accent ligt niet op de vergankelijkheid, maar op de overwinning op de machten der duisternis. Als we samenkomen op oudejaarsavond, lijkt dat toch de grondtoon te moeten zijn.