Zoeken

Johannes de Heer (1866-1961) PDF Afdrukken E-mailadres

Johannes de Heer is bij velen bekend door zijn zangbundel. In dit artikel  komen zowel zijn persoon als zijn werk aan de orde.


Inleiding
Johannes de Heer is bij velen bekend door zijn zangbundel. Niet dat er nog veel uit gezongen wordt. Predikanten en kerkmusici hebben er met vereende krachten voor gezorgd dat deze bundel de toegang tot hervormde of gereformeerde kerken werd ontzegd. En zelfs in de Pinksterkerken lijkt deze bundel haar langste tijd te hebben gehad: er is een gigantisch aanbod van nieuwe liederen, en regelmatig worden de gebruikte liedbundels 'ververst'. Er zitten nog wel liederen uit de bundel van Johannes de Heer in, maar dat aantal neemt steeds meer af. Het taalgebruik is echt verouderd, vermoed ik. Het is geheimtaal voor wie er niet mee is opgevoed.

Onlangs echter trof ik het: ik ging voor in een charismatisch/evangelische samenkomst in van homo's en lesbiennes, en bijna het gehele repertoire bestond uit liederen van Johannes de Heer. Ik kon mijn hart ophalen en zag me weer staan in de hal van de Oranjeschool te Badhoevedorp, het hoofd der school, Pieter Jan Rijpstra, achter de piano: 'Groot is uw trouw o Heer' En: 'Welk een vriend is onze Jezus'. Een zondig genoegen, daar, te midden van de homo's en lesbiennes. Zo voelde het althans voor mij als gereformeerd predikant die opgroeide met het Liedboek en al te vaak had mogen vernemen dat sommige dingen toch echt niet kunnen. Daarbij behoorde ook de bundel van Johannes de Heer. Overigens, dat was vroeger ook al zo, maar waarschijnlijk om andere redenen. 'Geen gezangen in de eredienst', zeiden wij gereformeerden, 'dus ook geen Johannes de Heer'. Maar thuis, aan het harmonium, gingen alle remmen los en werd er van hartenlust uit de bundel gezongen. Later kwamen de gezangen toch. Maar toen we als gereformeerden eindelijk gezangen mochten zingen in de eredienst (behalve het Wilhelmus, want dat is geen gezang en hoort thuis na de zegen), hadden dichters en kerkmusici al zoveel invloed in onze kerken, dat De Heer er niet in kwam. Muzikaal gezien kan ik er weinig van zeggen. Kenners spreken over te eenvoudige melodieën, een te banale vorm van muziek, niet geschikt voor de eredienst. En ik kan me daarbij wel iets voorstellen. Uiteindelijk lijken alle melodieën op elkaar, en dat gaat snel vervelen. Maar behalve muzikale aspecten speelden er ook andere  mee, poëtische en theologische bijvoorbeeld. Daar heb ik meer gedachten over. Samengevat komen ze hierop neer, dat de poëtische en theologische kwaliteit van de meeste liederen niet erg hoog is. Deze bezwaren hebben zeker zoveel gewicht als de muzikale bezwaren. Toch blijft De Heer een boeiende figuur, vandaar dat ik hier aandacht voor hem vraag. Wie nieuwsgierig is naar meer kan bij Elsman terecht, die zijn doctoraalscriptie omwerkte tot een boekje (zie onderaan). Het boekje is wat inventariserend, graaft niet diep, legt nauwelijks verbanden met ontwikkelingen in kerk en samenleving, maar geeft wel een beeld van deze man, die velen aan zich heeft verplicht juist door die omstreden bundel. Ik begin met enige biografische gegevens, om vervolgens aandacht te vragen voor de bundel.

Biografische gegevens

Na de lagere school was er geen geld voor verdere vorming, en De Heer kwam in de smederij van zijn vader. Al spoedig bleek dat hij voor dat ambacht geen talent had.  Als door een toeval kwam hij, na ettelijke andere baantjes, uiteindelijk terecht in een muziekhandel, waar hij zich naar hartelust kon ontplooien. Zijn belangstelling voor muziek en zijn handelsinstinct sloten een gelukkig verbond. 'Der dritte im Bunde', God, speelde in deze tijd nog geen rol in het leven van De Heer, die lange tijd grote moeite had met de sfeer van de gereformeerde gemeente waarin hij was grootgebracht. Het sterven van zijn dochter Dina betekende echter het begin van een ommekeer. De Heer kwam in aanraking met de Zevende Dags Adventisten en ging in hun organisatie een steeds grotere rol spelen. Deze groep kenmerkte zich door het onderhouden van de Sabbat i.p.v. de zondag, door een groot accent op de bijbelse profetieën en door een grote hartstocht voor de evangelisatie. Toch kwam het rond 1902 tot een breuk, omdat De Heer tot de conclusie was gekomen dat het Nieuwe Testament van de gelovigen niet de onderhouding van de Sabbat eiste. Een eerste periode van zijn leven werd afgesloten, een periode waarin alle kenmerken van zijn latere leven reeds aanwezig waren: vroomheid, handelsinstinct, evangelisatiedrang en een sterke nadruk op de wederkomst.

De Heer en zijn vrouw sloten zich aan bij de stadsevangelisatie Jeruël in Rotterdam, een organisatie met een grote bewogenheid voor de armen en misdeelden. In woord en daad raakten De Heer en zijn vrouw steeds meer betrokken bij dit werk. Nieuwsgierig geworden naar een grote opwekking in Wales aan het begin van deze eeuw, maakten zij een reis naar Engeland, om daarna betrokken te raken bij de grote opwekking in Nederland. Dag en nacht waren ze op pad om te preken en te zingen en mensen tot overgave aan Christus te bewegen.

In deze tijd rijpte het plan voor de zangbundel. In de uitgave van 1955 vertelt De Heer hoe hij tot zijn bundel kwam. Hij 'kreeg' namelijk een tekst, l Koningen 5: 9: 'Ik zal het op vlotten over de zee doen voeren ... en gij zult het wegnemen, gij zult ook Mijn wil doen, dat gij Mijn huis spijze geeft'. De Heer vatte deze aansporing op als een aansporing van God om naar Engeland te gaan om vandaar geestelijk voedsel voor de gelovigen in ons land te halen.  Hij vond niets. Maar bij een volgende reis, tijdens een opwekkingsbijeenkomst in Wales, kreeg hij het idee voor een zangbundel, een Nederlandse versie van wat hij in Engeland tegenkwam. Dat was de spijze die hij aan het huis Gods moest schenken. Zo verscheen in  1905 de eerste uitgave van de bundel. Ongeveer vijftig nummers waren ontleend aan de  psalmberijming en de gezangenbundel van de Nederlandse Hervormde Kerk, vijftig aan de  liederenschat van het Leger des Heils. Ook nam hij liederen op van I.D.Sankey, de muzikale  compagnon van de grote Amerikaanse evangelist D.L. Moody, die in de VS en in Europa  tienduizenden mensen per avond op de been wist te brengen (ongeveer 1880). Tenslotte zijn  er ook liederen van De Heer zelf.

Deze periode in het leven van De Heer eindigde rond het begin van de Eerste Wereldoorlog,  voor hem aanleiding zich in de profetieën van het Oude en Nieuwe Testament te verdiepen. Het komt tot de oprichting van een nieuw tijdschrift, Maranatha, later tot de oprichting van Het Zoeklicht, waarin De Heer voortdurend de geschiedenis vanuit het Woord Gods belichtte. In de jaren dertig aarzelde hij niet in dat blad te waarschuwen tegen de ontwikkelingen in Duitsland. Eerder al had hij, met zijn grote liefde voor Israël, gewezen op het groeiende antisemitisme. Ondertussen groeide de organisatie van De Heer, en opnieuw volgde een periode van intensieve campagnes. Daarbij maakte hij als allereerste prediker gebruik van het nieuwe medium, de radio. Later zou hij lid worden van het hoofdbestuur van de NCRV. Na 1947 ging zijn gezondheid achteruit, maar De Heer bleef zo goed en zo kwaad als het ging de evangelist die hij altijd geweest was. In 1961 overleed hij, 94 jaar oud.                                    


De zangbundel
Om enigszins grip te krijgen op de inhoud van de bundel, worden door De Groot (zie hieronder) de twaalf artikelen van de apostolische geloofsbelijdenis naast de bundel van Johannes de Heer gelegd. De volgende zaken vallen op.

Over God de Vader of over de Drieënige God wordt weinig gesproken, of  beter, gezongen. Als er sprake is van God de Vader, dan als de Vader van Jezus Christus, niet als de Schepper van het goede leven. Verder moet, in samenhang hiermee, gesproken worden van een zekere wereldontkenning: het doel van het leven lijkt te zijn zo snel mogelijk aan de 'verre stranden' te komen, waar de 'gouden harpen ruisen'. We zijn immers maar 'vreemdelingen', op reis naar boven. 'Zouden wij ook eenmaal komen ...?' Het pelgrimsmotief speelt dan ook in veel liederen een rol. Waarheen pelgrims? Waarheen gaat gij? De volstrekte ontkenning van de aarde en van het goede van het aardse leven is wellicht een van de sterkst naar voren springende kenmerken van de bundel. Geen enkel woord over vrede en gerechtigheid, politiek en maatschappij. Steeds ziet het oog naar boven, nooit om zich heen. Wie thuis is in de  geschiedenis van de theologie van de twintigste eeuw, weet van het 'tegoed van het Oude Testament', zoals Miskotte dat noemde, van het goede van de schepping.

Vanwaar dit wereldontkennend accent bij De Heer? De Groot wijst erop dat er voor de massa's in de dagen van Johannes de Heer weinig reden was om zich op het aardse leven te verheugen. Veel liederen dateren uit de tweede helft van de negentiende eeuw, toen de industrialisatie haar miljoenen reeds had verslagen, en er is tussen die ellende en de toonzetting van de bundel nauw verband! Ik geef deze verklaring hier weer, maar betwijfel wel of dit helemaal juist is. In ieder geval moet juist van de opwekkingspredikers in Engeland (William Booth), Duitsland (O. Wichern) en Nederland (O.G. Heldring, H. Pierson) gezegd worden dat ze veel oog hadden voor de nood van zeer velen. Het Nederlandse Réveil stond aan de wieg van veel hulpprojecten die tot ver in deze eeuw hebben voortbestaan. Ook het
Rode Kruis werd geboren in het hart van een ouderwetse Zwitserse opwekkingsprediker! En dit accent is zeker ook bij De Heer te vinden. Daarbij komt dat de nadruk op het leven als een pelgrimage van voor de industrialisatie is. Het hoort bij ons mens-zijn, dat gekenmerkt wordt door de vervreemding van God. Maar desalniettemin: samenleving en maatschappij komen in de bundel van Johannes de Heer nauwelijks aan de orde, we zijn voortdurend op reis naar een  beter vaderland.

Verder valt op dat in zeker negentig procent van de liederen Jezus (Christus) veel aandacht krijgt, meestal in verband met de vergeving der zonden door het dierbre bloed, vergoten aan het ruwhouten kruis. Dit is het kernstuk van deze bundel: het verzoenend sterven van Jezus aan het kruis voor zondaren. Met de genade wordt overigens niet zuinigjes om gegaan, zoals in de rechterflank van de gereformeerde gezindte. Daar strompelt men de troon der genade tegemoet. Hier zien we de poort wijd open staan. ‘Komt tot uw Heiland, toeft langer niet'. Rijk en gul wordt de genade voorgeschoteld. Ook op dit punt is er veel in beweging: we hebben er de laatste decennia oog voor gekregen dat het weliswaar om Christus draait, maar het gaat God om de komst van zijn Koninkrijk! Vandaar de verschuiving in de prediking, die sommigen tot hun verontrusting menen te kunnen opmerken.

Opvallend is dat dogmatische speculatie niet echt de ruimte krijgt: over de twee naturen van Jezus noch over de maagdelijke geboorte of de hemelvaart wordt veel gezongen in deze bundel. Wel 'speculeert' De Heer voortdurend over de wederkomst. Naast de verzoening is vooral de wederkomst van Jezus het centrale thema van zijn bundel. De wederkomst is voor De Heer een feest. Hij was geen hel- en verdoemenisprediker. Met deze vorm van theologie weet de kerk ook meestal geen raad, de bijbel is geen puzzle-boek! De kerk doet trouwens niet mee in de bundel, daarvoor is deze geloofsbeleving veel te individualistisch.

Voor zover die kenmerken een eenzijdigheid vertegenwoordigen, valt er, in theologische zin, op de bundel af te dingen. Maar waarvan geldt dat niet? We mogen van het Huis Gods ook geen Oosterhuis maken, en als ik goed geïnformeerd ben is het Liedboek ronduit sexistisch. Nu wij in theologicis de messen niet meer zo scherp slijpen kunnen de eenzijdigheden van De Heer er ook nog wel bij, wil ik maar zeggen. Zou de weerstand tegen zijn bundel ook niet iets te maken hebben met de weerstand tegen zijn spiritualiteit? Misschien is het wel de combinatie van theologische, spirituele en muzikale gewicht van zijn bundel, die deze naar de
marge van het kerkelijk leven heeft geschoven. Om alle misverstand te voorkomen, ik hecht zeer aan een evenwicht in thema's en aan een hoge literaire en muzikale kwaliteit van hetgeen we zingen, dus in die zin mis ik de bundel van De Heer niet, en hoort hij voor mij tot het rijtje  kostbare jeugdherinneringen, waar ik zo nu en dan nog graag eens aan snuffel.

 

N.a. v. D.Elsman, Johannes de Heer, evangelist in het licht van de wederkomst (Zoetermeer 1995) en B. de Groot,"k Heb geloofd en daarom zing ik', De Hoeksteen, april 1995.