Zoeken

J.H. Newman PDF Afdrukken E-mailadres

 

John Henry Newman behoorde aanvankelijk tot de ´evangelicals´ (evangelisch in de zin van de EO), die in de Church of England altijd een legitieme plaats hebben gehad. Later vervreemdde hij daarvan en begon hij met enkele vrienden te ijveren voor meer hoogkerkelijke, ja zelfs rooms-katholieke vormen en overtuigingen in de anglicaanse kerk. In 1845 werd hij uiteindelijk rooms-katholiek, om in 1877 tot kardinaal benoemd te worden. Een lang, zoekend leven. Een vruchtbaar leven, ondanks de talloze teleurstellingen die Newman heeft ondervonden. Belasterd door vroegere vrienden en geestverwanten, nooit geheel vertrouwd door de rooms-katholieke geestelijkheid. Voor sommigen een heilige die zelfs van het huwelijk afzag, voor anderen een gefrustreerde homoseksueel die met zijn geaardheid geen raad wist.  Een van de biografen die ik raadpleegde vatte de vrucht van zijn leven samen door de te wijzen op het feit dat aan het eind van Newmans leven de rooms-katholieke kerk een gerespecteerde plaats in de Engelse samenleving had verkregen. Newmans inspanningen hebben daartoe bijgedragen.

Mij trof bij het lezen van enkele biografieën het levenslange zoeken, het tasten, het altijd weer op reis zijn, het steeds weer verder moeten. Breek uw tent op, ga op reis. Zo klonk het in de woestijn. Als een afspiegeling van ons bestaan. Niets is hier blijvend, altijd moeten we verder. Reizigers zijn wij mensen. Pelgrims naar de eeuwigheid, als Newman.


Ook letterlijk maakte Newman reizen. Tijdens een van die reizen doorleefde hij, in Italië, een zeer ernstige ziekte. Twee, drie weken zweefde hij tussen leven en dood. En verkreeg hij inzicht in zichzelf. In zijn oppervlakkigheid, zijn gebrek aan liefde, zijn gebrek aan zelfver¬loochening, zijn  onwaarachtigheid. Bovenal werd hem duidelijk hoezeer zijn geloof een zaak van het verstand was. Hij had overtuigingen, een mening. Een stuk glas, zo typeerde hij zichzelf, dat warmte doorlaat, maar zelf koud blijft. Dan, in deze weken, zwevende tussen hemel en aarde, heeft hij een overweldigende ervaring van de liefde Gods. Daar stond hij, in zijn naakte waarheid voor het aangezicht van de levende God. Hij zag zichzelf. Hij werd overweldigd. Hij wijdde zijn bestaan opnieuw aan Christus. Gij hebt mij overmocht!

Newman herstelde, maar toen hij  zijn reis weer kon hervatten, was het windstil. Dagenlang. En nachtenlang. Tijdens een van die nachten wandelde Newman over het schip en werd getroffen door de lamp aan de mast. Een klein, vriendelijk licht. Niet de brandende hitte van de  (Italiaanse) zon, niet de menselijke hoogmoed die uiteindelijk een verterend vuur is. Maar als een klein vriendelijk licht, zo is God in ons bestaan. Stem die de stilte niet breekt, zingt Oosterhuis. De woorden komen vanzelf.

Leid, vriendelijk Licht, mij als een trouwe wacht,
leid Gij mij voort!
´k ben ver van huis en donker is de nacht,
leid Gij mij voort!
Schoon ook de toekomst mij verborgen zij,
licht stap voor stap mij met uw schijnsel bij.

Niet immer sprak mijn ziel zo stil tot U:
Leid Gij mij voort!.
Ik liep mijn weg bij eigen licht maar nu:
leid Gij mij voort.
Mijn zonlicht zonk, maar ach, mijn hoogmoed liet
mijn hart geen rust en ´k vond uw vrede niet.

Schenk mij uw zegen, toon m´uw wondermacht,
en leid mij voort
langs ´t smalle pad, tot in den donk´ren nacht
de morgen gloort.
Dan lacht mij toe, der eng´len trouwe wacht
die mij geleidd´ en mij heeft thuis gebracht.

Wat is dan dat vriend'lijk licht? Waar zien we het? Hoe zullen we Gods weg met ons leven vinden? In sommige kringen kent men het gebruik om als Gideon ´een vlies uit te spreiden´. In onze traditie zijn we daarmee veel terughoudender, en dat lijkt me terecht. Overigens, ook in onze geschiedenis kennen we talloze verhalen over tobbende dominees die zich in vertwijfeling afvroegen of God wilde dat ze een bepaald beroep zouden aannemen, en op hun manier een vlies uitspreidden. Een dergelijke houding veronderstelt een godsbeeld en een spiritualiteit waar wij ons, in onze tijd, lang niet altijd in kunnen vinden. Het staat op gespannen voet met geestelijke volwassenheid. Leggen wij de verantwoordelijkheid voor ons bestaan op die manier niet al te zeer bij de de Here God neer? En toch, de Heer regeert,  in Hem ligt ook ons leven, onze geschiedenis, de geschiedenis, geborgen. Tussen die twee, menselijke verantwoordelijk¬heid en goddelijke soevereiniteit, bestaat een spanning, in ieder geval voor ons denken en beleven. De gereformeerde traditie spreekt gaarne over Woord en Geest. De Schrift is een lamp voor onze voet, de Geest verbindt ons met Christus. Het bewaart ons enerzijds voor een spiritualisme (de Heer vertelde me ....), anderzijds voor een al te eendimensionale invulling van ons leven. Meer en meer kom ik tot het inzicht dat het erop aan komt te luisteren naar wat er ten diepste in onszelf verborgen ligt. Om in meditatie en gebed stil te worden, te tasten en te zoeken, de keuzes te maken, beslissingen te nemen. In het goede geloof dat Christus in ons hart woning heeft gemaakt! Dat is minder spectaculair dan wat Gideon deed, het maakt ook terughoudender om in allerlei gebeurtenissen de hand van God te zien. Het brengt, op een bepaalde manier, wat meer onzekerheid met zich mee, gewoon omdat we op die manier onze keuzes niet religieus rechtvaardigen. Het blijven onze beslissingen, het blijft onze verantwoor¬delijkheid. Dat is ook het kenmerk van het volwassen leven. Maar we leven ons leven dan wel in het vertrouwen, in het geloof, dat wij ten laatste en ten diepste geborgen zijn in Christus, en dat ons levenslot uiteindelijk in zijn handen ligt. Die zekerheid moet ons in onze onzekerheid genoeg zijn.

Het lied van Newman heeft in snel tempo de liedboeken van de verschillende kerken veroverd en is wereldwijd bekend. Zozeer zelfs, dat een biograaf zijn boek over Newman de titel mee kon geven: Vriendelijk licht. Wij kennen het als lied 230 uit de hervormde bundel 1938, in de vertaling van Jacqueline van der Waals. Het is niet opgenomen in het Liedboek, en wie iets weet van het pelgrimsbesef dat zo velen van ons eigen is, en van de duisternis waarin wij zo vaak tastend onze weg moeten zoeken, vraagt zich af waarom niet. Is de melodie niet goed genoeg? Geef ons De Marez Oyens maar! Of Huijbers. Jawel, het zal wel. En het zal ook wel waar zijn dat dat allemaal veel verantwoorder is. Maar wie tussen de tijden leeft, voor wie het verleden voorbij is, en de toekomst nog niet begonnen, voor wie last heeft van de windstilte, voor wie de weg kwijt is, is het een melodie die het hart raakt. Dat geldt ook de woorden. Te vroom waarschijnlijk, voor het klimaat waarin het Liedboek ontstond. Maar wij beleven andere tijden. De tijd van de protestmarsen is voorbij. Onze voeten zijn moe, de wereld is niet maakbaar. Ook de tijd van het redeneergeloof is voorbij. De leer is een troosteloze trooster. Wij zijn weer op zoek, met hart en ziel. Sommige oude liederen kennen zo´n stille innigheid, misschien mogen er daarvan in het Liedboek 2000 een paar een plaats krijgen. Wat mij betreft, is dit er een van.


MJA