Zoeken

Goede Vrijdag PDF Afdrukken E-mailadres

Goede Vrijdag


Binnenkort is het weer Goede Vrijdag. Om half acht begint de dienst, dit keer met medewerking van De Vrolijke Nootjes. Of er veel kerkgangers zullen zijn? Eerlijk gezegd durf ik dat niet met zekerheid te zeggen. Goede Vrijdag staat er bij gereformeerden nu eenmaal niet zo goed op. Daarover gaat dit artikel.


In de kerkorde van Dordrecht (1618) werd vast gelegd dat de kerk van de Republiek vijf feestdagen kende: Kerst, de dag van de besnijdenis van Jezus (1 januari), Pasen, Hemelvaart en Pinksteren. Goede Vrijdag hoorde daar dus niet bij. Het is me niet helemaal duidelijk geworden waarom niet. De viering van Goede Vrijdag maakt al vanaf de 3e of 4e eeuw deel uit van de kerkelijke traditie. Het was een vastendag geworden, waarop men vis at. Dat had een symbolische betekenis. Het Griekse woord voor vis is namelijk ‘ichtus’, het oud-christelijke symbool van de christenen. Het betekent echter niet alleen ‘vis’, maar kan ook worden gelezen als de afkorting van ‘Jezus Christus, Zoon van God’. Vandaar dat de vis het symbool van de gelovigen is geworden. Wellicht waren onze protestantse voorouders van mening dat de viering van die dag (met al wat daar bij hoorde) meer te maken had met de ‘paapsche stoutigheden’ dan met een zinvolle gedachtenis van het sterven van onze Heer. In ieder geval, in de Dordtse kerkorde wordt de dag niet genoemd als feestdag. Dat heeft niet kunnen voorkomen dat de oude kerkelijke praktijk hier en daar werd voorgezet, want her en der kwamen behalve de roomsen ook de protestanten samen op Goede Vrijdag. In ieder geval in Friesland bleef de kerkdienst op deze dag ook na de Reformatie bestaan. Maar algemeen was zo’n kerkdienst op deze dag niet. De protestanten wilden in de 17e en 18e eeuw geen viering van de Goede Vrijdag. Het geringe kerkbezoek op Goede Vrijdag heeft dus hele oude wortels: de protestantse weerzin tegen allerlei katholieke gebruiken.


Aan het einde van de achttiende eeuw openbaarde zich een sterke behoefte aan liturgische vernieuwing. Velen hadden het gevoel dat een vernieuwing van de liturgie noodzakelijk was om te zorgen dat de mensen naar de kerk zouden blijven komen. Daarbij werd door sommigen ook de viering van Goede Vrijdag bepleit. Deze wens om tot een liturgische vernieuwing te komen werd in 1817 door de synode van onze kerk (de Nederlandse Hervormde Kerk) overgenomen, en bij allerlei andere aanbevelingen die de synode rond zond, behoorde ook de wens om op Goede Vrijdag samen te komen. Goede Vrijdag was, zo meende de synode, bij uitstek een dag van gewicht voor de christen. Vanaf die tijd dateert de opgang van de Goede Vrijdag in de negentiende eeuw. Er werd op steeds meer plaatsen een kerkdienst, en er gingen steeds meer stemmen op om de Goede Vrijdag tot een vrije dag te maken. Bovendien bepleitten sommigen de viering van het Heilig Avondmaal op Goede Vrijdag. Het waren vooral gemeenten met wat later genoemd zouden worden vrijzinnige voorgangers waar dit gebruik ingang vond. Daardoor kreeg de Goede Vrijdag een lading die vooral gevuld werd door de ‘mens’ Jezus, die aan zijn eigen idealen ten onder ging. Het avondmaal werd een ‘begrafenismaal’. De gemeente werd geconfronteerd met de dood van haar leraar Jezus. Uiteindelijk kwam het in 1853 tot een synodale aanbeveling op Goede Vrijdag een kerkdienst te houden met avondmaalsviering. Aan het eind van de negentiende eeuw was dit de gewone praktijk in de meeste hervormde gemeenten: een dienst van Woord en Sacrament. Daarmee plaatste men zich eigenlijk buiten de liturgische traditie, want vanouds was de dienst op Goede Vrijdag een dienst waarin de eucharistie niet werd gevierd (een enkele uitzondering daargelaten). Dit gebruik heeft het hier en daar tot op de dag van vandaag uitgehouden.


In de afgescheiden gemeenten wilde men vasthouden aan de kerkorde van Dordrecht. Bovendien hadden de afgescheidenen zoveel vervolging van de synode ondervonden, dat de bereidheid om allerlei liturgische vernieuwingen te aanvaarden nihil was. Maar toen de hervormde synode in 1853 met haar aanbeveling gekomen was, werd de vraag naar Goede Vrijdag ook voor de afgescheidenen van belang. Men leefde nu eenmaal niet op een eiland, en wat school er voor kwaads in het gebruik om het sterven van onze Heer te gedenken? In sommige plaatsen ging men er daarom al spoedig toe over op Goede Vrijdag de gemeente samen te roepen, zij het dat de viering van het avondmaal achterwege werd gelaten. Maar elders bleef de weerstand bestaan. De viering van Goede Vrijdag was rooms, en voorzover protestanten er aan mee deden, waren het vrijzinnigen. Deze weerstand leefde in sommige plaatsen heel lang voort. Zo werd in Voorthuizen pas in 1949 voor het eerst een dienst op Goede Vrijdag gehouden. Dit alles betekent dat rond 1960 de viering van Goede Vrijdag algemeen was, maar dat alleen in hervormde gemeenten de dienst een dienst van Woord en Sacrament was. Bovendien was de oude weerstand tegen een kerkdienst op Goede Vrijdag onder de gereformeerden niet van de ene dag op de andere uitgestorven: het aantal kerkgangers bleef betrekkelijk laag.


De laatste decennia zien we opnieuw een verschuiving plaatsvinden. Onder leiding van de Van der Leeuw-stichting zijn we ons gaan bezinnen op de betekenis van de liturgische traditie. In veel kerken is er daarom tegenwoordig ook op Witte Donderdag en op Stille Zaterdag een kerkdienst. De avondmaalsviering heeft zijn plaats gekregen op de Witte Donderdag en op Stille Zaterdag.


Tegelijkertijd verdween de aanduiding Lijdenstijd. Deze werd vervangen door de term ‘veertigdagentijd’, of ‘vastentijd’. Bovendien wordt in het leesrooster meestal geen aandacht gevraagd voor de verhalen uit de lijdenstijd, maar voor het oudkerkelijk rooster van de dopelingen die zich voorbereidden op de doop in de Paasnacht. En tenslotte zien we steeds meer aarzeling rondom de vraag of er op Goede Vrijdag gepreekt moet worden. Deze veranderingen hebben ook hun weg gevonden naar de Handwegkerk. Ook dit jaar zijn er in de Stille Week vier kerkdiensten, ook dit jaar zal er op Goede Vrijdag niet gepreekt worden. Zelf heb ik deze veranderingen vooral als winst ervaren. Maar tevens constateerde ik dat er als gevolg hiervan de laatste jaren niet meer gepreekt is over al die bekende verhalen uit de lijdensgeschiedenis. Vandaar dat Renger en ik er dit jaar voor hebben gekozen die verhalen in de veertigdagen tijd te lezen. Als wij van mening zijn dat de Schrift moet worden uitgelegd, moet er ook over deze verhalen gepreekt worden.


Of er ook gepreekt moet worden op Goede Vrijdag? Zo zou ik het niet willen zeggen. We hebben enkele jaren geleden de lezing van het lijdensverhaal afgewisseld met koralen uit de Mattheus-Passion. Ik heb dat uit een buitengewoon indrukwekkende dienst beleefd. Zo kan het dus ook. Maar daarmee is niet gezegd dat het niet kan, preken op Goede Vrijdag. Misschien is het juist nu wel eens nodig. De kerk verkeert in grote verlegenheid over de betekenis van het sterven van Jezus. Daar waar het hele evangelie op uitloopt, daarover durven we geen uitspraken meer te doen. Maar als je dat niet durft, wat is dan de zin ervan om wel het verhaal te lezen, of de koralen van Bach te zingen?


M.J. Aalders


Bronnen: Twee artikelen van ds K.W. de Jong uit Centraal Weekblad, eén artikel van ds R.A. Bosch uit Eredienstvaardig.