Zoeken

Rengers Prentenboek PDF Afdrukken E-mailadres

Toen R.J. Prent in 1990 aangesteld werd ten behoeve van de beide wijkgemeenten Handwegkerk en Dorpskerk, was hij al een eind gevorderd met zijn studie in de Sancta Theologia, de heilige godgeleerdheid. Hij had na de Sociale Academie zowel zijn MO–A als zijn MO–B theologie gehaald. Dat wil zeggen dat hij zich een eerste graadsbevoegdheid had verworven om godsdienstonderwijs aan een middelbare school te geven. Niet dat daar zijn ambities lagen. Renger zocht het hoger op. Hij meldde zich aan als student aan de Katholieke Theologische Universiteit van Utrecht omdat hij zich in de wetenschappelijke theologie wilde bekwamen. Het was in het bijzonder de vraag naar de rechte verhouding tussen maatschappij, kerk en Koninkrijk Gods die hem bezighield, daar wilde hij zich verder op oriënteren. Jaren van ingespannen studie volgden en in 1995 was het zo ver: Renger mocht zich voortaan tooien met de titel doctorandus! Flauwe grappen op drs P. of op de betekenis van deze titel – hij die nog geleerd moet worden – zijn niet terecht. Hier stond iemand die zich een eigen plaats had verworven in het land der godgeleerden. En dat alles naast een meer dan volle baan als jeugdwerker en een buitenkerkelijke opvoeding. Ga er maar aan staan! Wie zegt dat de wonderen de wereld uit zijn, moet dit maar eens op zich laten inwerken.

Het theologisch klimaat in de jaren zestig en zeventig  werd in hoge mate bepaald door de politieke theologie, die bestond uit een combinatie van marxistische maatschappijkritiek en Barthiaanse religiekritiek  Economische factoren spelen in de samenleving de hoofdrol, en godsdienst bevestigt deze rol, zo constateerde Marx. Het was tegen dit laatste, de bevestigende rol van de godsdienst, dat Karl Barth zijn stem verhief. In 1914  constateerde deze tot zijn verbijstering dat alle grote Duitse theologen, en ook de Duitse kerken psalmenzingend ten oorlog togen. Dat was een buitengewone schok voor hem. Is dat theologie, oorlogen rechtvaardigen? Is dat de bedoeling van de kerk, jonge mensen aansporen om dienst te nemen in het leger? Barth leerde inzien dat de bijbel vaak dwars staat op ons menselijk gedoe. De bijbel gaat in tegen allerlei dingen die voor ons mensen belangrijk zijn. De bijbel – God – staat kritisch tegen armoede en onrecht, tegen oorlog en geweld. God is de Gans Andere. En wat Barth de kerken verweet, was dat ze God maakten tot het verlengstuk van hun eigen burgerlijke cultuur.

In Nederland vond Marx onder de gelovigen weinig gehoor. Heel lang  werden socialisme en communisme geassocieerd met ongeloof of zelfs vijandigheid ten opzichte van het christelijk geloof. Boekjes over de vervolging van de gelovigen in de USSR vonden voor de oorlog gretig aftrek, en socialisten waren toch eigenlijk verkapte communisten. Ook de  theologie van Barth (vanaf 1920) werd bepaald niet met gejuich begroet. De meeste gereformeerden vonden dat Abraham Kuyper het beter had gezegd, de meeste hervormden interesseerde het geen zier wat er vanuit het verre Zwitserland werd geroepen. Ze zorgden voor hun gebouw en voor het tuintje erom heen. Maar na de Tweede Wereldoorlog begon dat te veranderen. De invloed van Barth nam snel toe. Hij was immers door de geschiedenis in het gelijk gesteld. De kerk die met de vijand had geheuld (de Duitse kerk), was met die vijand ontmaskerd als een vijand van God. Een kerk schuilt niet bij aardse machten, een kerk zoekt haar plaats voor het aangezicht van de Levende. Mede onder invloed daarvan kwam het ook onder de gelovigen tot een nieuwe waardering van het socialisme (de zgn Doorbraak). Een eigen vorm van de barthiaanse theologie werd ontwikkeld door de Nederlandse theoloog K.H. Miskotte.  Hoewel ook hij niet eenvoudig schreef, werd hij ongetwijfeld meer gelezen dan de grote meester uit Basel, en in die zin was hij een van de grote popularisators van Barth. In hun voetspoor leerde Frans Breukelman sr velen opnieuw de bijbel lezen. Hij ontwikkelde samen met anderen geheel andere vertaal- en leesregels als de gebruikelijke. Zijn volgelingen hebben zich verzameld in de Amsterdamse School, die vooral bekend is geworden vanwege haar kritiek op de gangbare bijbelvertalingen.

In de jaren zestig en zeventig bepaalden deze stromingen het theologisch klimaat. Heel concreet kwam Renger hiermee in aanraking toen hij zich op de academische theologie stortte en de katholieke John Videc ontmoette. Bij hem leerde hij op hoog niveau nadenken over de verhouding tussen kerk, samenleving en Rijk Gods. Daar heeft al die jaren daarna ook het hart van zijn theologiseren gelegen. Hoe zou het ook anders? Renger was diep geraakt door de ellende in de wereld om ons heen, ook en vooral in maatschappelijk en politiek opzicht. Valt er nog wat voor deze wereld te verwachten? Sommigen stortten zich op de politiek, Renger wendde zich tot kerk en theologie en leerde hopen en geloven dat de Eeuwige het laatste woord heeft.

Hoewel Renger onder de bekoring kwam van bovengenoemde stromingen en theologen, heeft hij zich nooit expliciet met een daarvan verbonden. Zijn kritische houding tegenover de samenleving (dertig jaar lang liep Renger in het zwart!) ging gepaard met  een even kritische houding tegenover allen ‘die het weten’. Van de Christenen voor het Socialisme is hij dan ook nooit lid geweest.  Maar dat neemt niet weg dat zijn maatschappelijke en theologische oriëntatie in deze links/barthiaanse sfeer heeft gelegen en nog ligt. Exegetisch oriënteert hij zich op Ton Veerkamp, Tom Naastepad en Willem Barnard, zijn eigenlijke leermeester is Bert ter Schegget, vanwege zijn linkse theologie jarenlang van de theologische katheder geweerd. Voor al deze laatste is Rengers vademecum. Als er iemand een stempel op zijn denken heeft gezet, dan is het inderdaad Ter Schegget. Als Bert heeft gesproken …..

In het licht van vorenstaande is het geen wonder dat Renger zich niet aangesproken wist door de evangelicale theologie, door de Opwekkingsbeweging, die zich vanaf de jaren zeventig steeds duidelijk binnen kerk en theologie begon te manifesteren. Afgezien van het feit dat ook deze gelovigen vaak erg overtuigd zijn van hun eigen gelijk, ziet hij in deze beweging de kerkelijke vertaling van het individualisme en de privatisering die de moderne samenleving doortrekken. Het - ik - , de persoonlijke ervaring en de Here Jezus staan centraal. De ander, de samenleving, de structuren waarbinnen we ademen, de Ganz Andere, ze blijven, bij alle goede inspanningen die er ook zijn, teveel buiten het gezichtveld. Zo kan het niet, meent Renger. Bovendien wijst hij erop dat de evangelicale beweging in de VS staat voor dubieuze zaken die in eigen land en in de derde wereldlanden grote schade aanrichten.

Dit alles werkt door in Rengers kerkdiensten. Zodra hij zijn mond open doet, weten we het weer: we zijn hier niet voor ons plezier. Zijn zware bas heet ons weliswaar hartelijk welkom, maar de toon waarop hij dat doet, vertelt ons dat deze wereld er de afgelopen week niet op vooruit is gegaan. De profeten  houden de regeerders van Israël voor wat er niet goed zit, en via Renger komt hun woord ook tot ons. Daar ligt zijn voorkeur: bij een exegese die duidelijke lijnen legt met de samenleving van toen en de samenleving van nu. Het gaat om een theologie, om een exegese, en dus om een verkondiging ‘van het maatschappelijk handelen’, die staande blijft juist door de eschatologie, het geloof dat God eenmaal het laatste woord zal hebben.

Van vrome woorden houdt hij niet. Een preek over het gebed met een getuigenis over een ervaren verhoring zal men tevergeefs bij hem zoeken. De verborgen omgang, de nabijheid van de Allerhoogste, het zijn thema’s die sedert ‘Auschwitz’ omgeven zijn met allerlei vragen, en ze zijn bovendien wel erg intiem voor de kansel, veel te persoonlijk. Het persoonlijke is persoonlijk en hoort niet thuis in de openbaarheid. Goede exegese, degelijke theologie, fundamentele maatschappij-analyses én de verbinding tussen deze drie, daar hoort de prediking op te steunen. Ik zou het zo willen zeggen: bij Renger is sprake van een profetisch-messiaanse inzet van de theologie, met een nadruk op de maatschappelijke verhoudingen. Behalve de roep om bekering, klinkt echter ook de hoop door in zijn verkondiging. God is er ook nog Dat geloof houdt Renger staande, dat geloof geeft hij door aan de gemeente.

Deze prediking is ingebed in de liturgie. Het kan niet zonder, want Renger is zich zeer bewust van het feit dat onze protestantse erediensten een te sterk woordkarakter hebben. Ook andere zintuigen moeten worden geprikkeld, mensen moeten iets beleven aan een kerkdienst. Hij heeft iets van een krypto-katholiek. Hij doet wel alsof hij protestant is, maar als het erop aankomt, houdt hij toch verdacht veel van de catholica, zeker waar het gaat om het heilig theater van de liturgie. Soms is hij zelfs roomser dan de paus. Terwijl de hele katholieke wereld in de paasnacht allang geen dertien schriftlezingen leest (zoals dat eeuwenlang gebeurde), houdt Renger stug vol. Zo heeft men het in de dertiende eeuw bedacht, wij zullen daar aan moeten geloven. Tenzij het hem belet wordt. (En dat gebeurt jaarlijks). Dertien schriftlezingen, dat houdt de gemiddelde kerkganger niet vol. In later jaren ontwikkelde zich een voorliefde voor de oosters-orthodoxe liturgie. Een liturgie om te ondergaan.

Wat zijt gij gaan horen? Een bijna buitenkerkelijk opgevoede prediker, die op de een of andere manier geraakt werd door het Evangelie van onze Heer Jezus Christus, die zich met al zijn kracht geworpen heeft op kerk, theologie en samenleving, die zich binnen het bonte geheel van onze kerken onmiskenbaar bewoog aan de linkerflank, wiens lust en leven het was om datgene wat hij had ontdekt door te geven aan de gemeente.



September 2005, t.g.v. het afscheid van R.J. Prent van de wijkgemeente Handwegkerk