Zoeken

Liturgische kleding PDF Afdrukken E-mailadres

 

Inleiding

Steeds vaker zien we predikanten gehuld in een wit gewaad en versierd met een stola de kansel betreden. Deze ontwikkeling lijkt niet meer te stuiten, en de aldus geklede collegae worden van min of meer officiële zijde gesteund. Het Samenwerkingsorgaan voor de Eredienst heeft de stola namelijk een plaats gegeven in de liturgie van de bevestiging van de predikant. En op verzoek van ditzelfde Samenwerkingsorgaan schreef drs P. Hoogstrate een brochure over dit onderwerp o.d.t. Kleur en kleed.

In zijn brochure verwijst Hoogstrate naar het spelkarakter van de eredienst en naar de functie van symbolen. Ook noemt hij enkele bijbelplaatsen waar witte kleding een rol speelt (onder andere Openbaring 3: 4 ). Dat is bij elkaar heel wat, ook al wordt het op in enkele bladzijden samengeperst. Ten diepste gaat het hem om de communicatieve kracht van de kerkdienst, en hij meent dat deze door het gebruik van liturgische kleding verhoogd wordt. Anderen leggen een sterk accent op godsdienstpsychologische factoren die steeds weer doen vragen naar liturgische kleding. Ook esthetische argumenten worden vaak naar voren gebracht in deze discussie.

Ondanks het gewicht van dit soort argumenten is het pleit mijns inziens daarmee niet beslecht. Met het verschijnsel van de liturgische kleding hangt zoveel samen dat we eerder aan een boek dan aan een artikel of brochure moeten denken. Mede daarom wil ik enkele vragen opwerpen die bij me boven kwamen toen ik, naar aanleiding van bovengenoemde literatuur, enkele handboeken over dit onderwerp raadpleegde. Ik hoop dat deze vragen aanleiding zullen zijn voor verdere bestudering van dit thema.

Kleedgedrag

De eerste vraag die zich opdringt is de vraag wat kleding eigenlijk is. Wat wordt er met kleding in het algemeen en met liturgische kleding in het bijzonder uitgedrukt? Wat leren ons hier de psychologie en de sociologie? Daar zullen we toch ook te rade moeten gaan wanneer we het hebben over kleding, en niet alleen bij de theologie. De liturgische kleding is namelijk niet voor de eredienst ontworpen. En in de kerk gaat het nooit om louter theologische of religieuze zaken alleen. Godsdienst is een heel menselijk verschijnsel, en de kerk is een zeer menselijk instituut dat deel uitmaakt van een groter verband, de samenleving waarin zij functioneert. De inzichten uit andere disciplines dan de theologie dienen daarom vruchtbaar gemaakt te worden voor de theologie en voor de kerk.

Met kleding en uiterlijk bevinden we ons op het spanningsveld tussen cultuur en natuur. Het lichaam wordt namelijk niet in zijn natuurlijke staat gelaten, het wordt voortdurend en op verschillende manieren gemodelleerd. En het is de cultuur die de regels creëert voor deze modellering van ons uiterlijk. In dit verband valt bijvoorbeeld te denken aan de esthetische normering, die heel veel te maken heeft met de wijze waarop een bepaalde tijd tegen sexualiteit en erotiek wordt aangekeken. Hier ligt bijvoorbeeld één van de motieven die geleid hebben tot de aanbeveling van de toga in 1854: afweer tegen de mode en wat daarmee samenhangt.

Met de kleding begeven we ons ook op het spanningsveld tussen individu en samenleving. De kleding behoort enerzijds tot het terrein van het individu, anderzijds maakt de mens zich via zijn kleding bekend aan zijn sociale omgeving. In de kleding komt daarom de verhouding van het individu ten opzichte van de sociale omgeving tot uitdrukking, of de verhouding tussen verschillende groepen in de samenleving. De kleding verschaft identiteit, veiligheid en herkenbaarheid, eventueel gezag en prestige, en is bij uitstek het middel van imitatie en distantie tussen mensen en groepen in de samenleving.

Dit is een analytisch model, in de werkelijkheid lopen de beide genoemde spanningsvelden door elkaar heen, en in de kerk spelen ook andere motieven een rol dan de hier genoemde. Maar het maakt hopelijk wel duidelijk dat we met een verwijzing naar de witte klederen in de Openbaring aan Johannes niet zijn. Daarvoor is kleedgedrag een te ingewikkelde zaak, en daarvoor hebben albe en stola een te lange geschiedenis.

Historische herkomst

De tweede vraag die zich opdringt is de vraag naar de ouderdom van de liturgische kleding, en naar de historische context waarin deze ontstond.

Het staat vast dat er in de eerste eeuwen van onze kerkgeschiedenis geen onderscheid in kleding was tussen geestelijken en leken. Illustratief is in dit verband een afbeelding van Paus Gregorius I en zijn vader, een hoge politicus in het laat-romeinse rijk. Beide gaan hetzelfde gekleed, namelijk als de romeinse elite. En de albe schijnt pas in de zesde gebruikt te worden als een exclusief liturgisch kledingstuk, daarvoor was het een kledingstuk van de (gegoede) burgerij. Het is nog de vraag hoe we dit alles moeten waarderen. Is hier sprake van een kerk die zich conformeert aan de 'wereld'? Wordt hier de 'zondeval' van het christendom zichtbaar aan de kleding van de christenen? In ieder geval staat vast dat er de eerste eeuwen geen onderscheid was in kleding tussen ambtsdragers en andere (hooggeplaatste) gemeenteleden, en dat de liturgische kleding een profane oorsprong heeft.

Wereldse kleding blijkt enkele eeuwen na de verschijning in de samenleving als liturgische kleding in de kerk te functioneren. Ter verklaring hiervan wordt door sommigen verwezen naar veranderende politieke en culturele omstandigheden. De nieuwe mode wordt door de geestelijken niet gevolgd als een vorm van protest of als louter conservatisme.

Het effect van deze ontwikkelingen is onder meer dat het onderscheid tussen geestelijken en leken steeds sterker wordt beklemtoond, en ook binnen de geestelijke stand worden verschillen in kerkelijke status zichtbaar gemaakt door middel van de kleding en vooral speciale kledingstukken. Eén van de auteurs die ik over dit onderwerp raadpleegde, neemt ergens de militaire klederdracht als voorbeeld: het is aan de kleding van de geestelijkheid duidelijk af te lezen met wie we te maken hebben, bij welk onderdeel hij hoort, en hoe de rangen en standen zijn. Van den beginne was is het echter niet zo geweest, het is zo gegroeid.

Uit deze gegevens blijkt hoe belangrijk het is dat wij kennis nemen van andere dan theologische inzichten omtrent het kleedgedrag. Dit geldt des te meer, daar het ontstaan van de liturgische kleding in eerste instantie weinig te maken heeft met de oudtestamentische voorschriften omtrent de kleding van de priester of met nieuwtestamentische visioenen omtrent de heerlijkheid van de kinderen Gods. Men kan hoogstens zeggen dat de oudtestamentische voorschriften een klimaat geschapen hebben dat voor het ontstaan van liturgische kleding gunstig was. Een dergelijke invloed kan overigens net zo goed van de volksreligie zijn uitgegaan, liturgische kleding is immers in vele godsdiensten gebruikelijk. Van veel meer belang bij het ontstaan van liturgische kleding is geweest de groeiende verwikkeling van kerk en samenleving. Sociologisch gezien kan dat ook niet anders. Iedere kerk is tot op zekerke hoogste een weerspiegeling van de samenleving waarin zij ontstaat/bestaat, en dat geldt zeker een staatskerk. Het verband tussen liturgische kleding en kerkelijke onderscheidingstekens enerzijds en kledingvoorschriften voor de ambtenaren anderzijds wordt dan ook door verscheidene auteurs gelegd. De hiërarchisch geordende maatschappij, inclusief haar kledingvoorschriften van hogerhand, lijkt door de kerk te zijn vertaald en geïmporteerd.

Overigens: er bestaan wel degelijk theologische verklaringen van de liturgische kleding, maar zoals altijd komt de reflexie pas achteraf op gang. Vanaf de 9e eeuw wordt het verschijnsel van de liturgische kleding voorwerp van theologische bezinning. In die tijd gaat men in de stola bijvoorbeeld het symbool van het ambt zien, dat als een juk op de schouders van de ambtsdrager wordt gelegd. Ook de kleuren krijgen hun betekenis toegemeten. Wit bijvoorbeeld is het symbool van de reinheid, later van de kuisheid (vgl. het bovengenoemde spanningsveld tussen natuur en cultuur). Vanaf de 12 eeuw vinden we veel typologische verklaringen. Daarin wordt de kleding niet in verband gebracht met de ambtsdrager, maar met Christus. Want de priester representeert tijdens de eucharistie de lijdende Christus, en zijn kleding is daarvan het symbool. In dit verband valt te wijzen op de zijde als stof voor de albe, die heenwijst naar de zijderups/vlinder, en daarmee naar de opstanding van Christus. En de stola verwijst naar de koorden die de soldaten om Jezus' hals bonden om hem naar Golgotha te slepen.

Deze verklaringen hebben tot ver in de twintigste eeuw hun geldigheid behouden!

Wie kennis neemt van de handboeken zal wellicht op sommige punten bestrijders vinden van de korte schets die ik hier heb gegeven (speciaal dateringskwesties komen vaak voor), maar de grote lijnen liggen wel vast. Vast genoeg om te stellen dat de liturgische kleding nauw verbonden is met de organisatie van de laat-romeinse en vroeg-middeleeuwse samenleving, met de roomskatholieke hiërarchie en met de misoffertheologie.

Voor wie dit beseft is het geen verrassing dat de reformatoren hier merendeels andere wegen gingen. De samenleving veranderde, hetgeen ook voor de kerk grote gevolgen heeft gehad. Dit werd onder meer zichtbaar in de ambtsopvatting, in de sacramentsopvatting, en daarom ook in het grotendeels verdwijnen van de liturgische kleding. Zwingli was op dit punt overigens het meest stringent, Luther hechtte er minder waarde aan. In Nederland is er tot in de achttiende eeuw geen sprake van speciale kleding van de predikanten. En toen die zijn intrede deed, was het niet de roomskatholieke liturgische kleding. Overigens geldt ook van mantel (met bef, kuitbroek en driekanten steek) en van de toga dat ze aan gebruiken in de samenleving zijn ontleend, en dat de theologische reflexie lang op zich laat wachten.

In het licht van het bovenstaande is het opmerkelijk te zien met hoeveel snelheid tegenwoordig de albe en de stola in de calvinistische eredienst worden ingevoerd. Men zal wellicht opmerken dat wat er momenteel plaatsvindt geheel los staat van de rooms-katholieke traditie, maar dat klinkt mij niet erg overtuigend in de oren. We kunnen toch niet doen alsof de latere typologische duidingen niet bestaan! En de stola is in ieder geval regelrecht ontleend aan de rooms-katholieke traditie, en heeft alles te maken met de roomskatholieke ambtsopvatting. Met andere woorden: de symbolen die nu in onze kerken hun intrede doen, zijn niet nieuw, ze hebben een geschiedenis. En nogmaals: wat mij betreft doen we niet alsof die geschiedenis er niet is geweest. En in dat geval zijn er een aantal vragen te beantwoorden alvorens stola en albe kunnen worden aangeprezen. Ik noem er een paar.

- Kun je symbolen als albe en stola, die zolang en over een zo wijd verspreid gebied verbonden zijn geweest met een bepaalde theologie en een bepaalde kerk zomaar naar onze kerken overplanten zonder dat iets van hun betekenis 'meekomt'? Wie geeft ons protestanten eigenlijk het recht om deze symbolen een nieuwe betekenis te geven?

- En zelfs als er 'niets meekomt', zijn er talloze vragen. Wat is de zeggingskracht van albe en stola nu? Kleding is bij uitstek het middel van distantie. Is dat wat we in de kerk willen, distantie tussen voorganger en kerkganger, en zo ja, welke distantie willen we dan? En draagt alleen de voorganger tijdens de eredienst liturgische kleding, of moeten ook kosters, organisten, diakenen en ouderlingen er aan geloven? Kortom, welke ambtsopvatting schuilt er eigenlijk achter het gebruik van liturgische kleding? Elk onderscheid in kleding tussen predikant en andere kerkgangers vraagt om een bezinning op het terrein van de ambtstheologie, en dat geldt zeker het onderscheid dat gemaakt wordt met zulke eeuwenoude symbolen als albe en stola.

- Waarom importeren we wel de stola en de albe, en niet de cingel, de amict, het kazuifel? Waarom wel de stola in de kleuren van het kerkelijk jaar, maar niet de sokken van de voorganger, zoals de bisschop dat gewoon was? Wie geeft er richting aan deze willekeur? Of, met andere woorden: waar stappen we in de trein van de traditie? En wie zal deze keuze verantwoorden?

- Welk karakter heeft de eredienst, en vloeit het gebruik van liturgische kleding noodzakelijkerwijze voort uit dit karakter?

- Waaraan meten we af of het gebruik van kleur en kleed de communicatieve kracht van de kerkdienst verhoogt? Het wordt alom beweerd, maar hoe wordt dat gemeten? En wat doen we met de gelovigen die het gebruik daarvan juist als storend ervaren?

 

Met bovenstaande is niet alles gezegd over liturgische kleding. Ook godsdienstpschychologische en esthetische argumenten zijn van belang. Maar de vragen lijken me de moeite waard. De kleding spreekt zijn eigen, meerduidige en daarom ingewikkelde taal. En het wordt hoog tijd dat de huidige praxis onderwerp wordt van een fundamentele bezinning. Wellicht draagt deze bijdrage iemand uit tot het schrijven van een gedegen studie waarin alle aspecten van de liturgische kleding zorgvuldig beschreven en afgewogen worden. Overigens is de kans groot dat het standpunt dat men inneemt niet alleen bepaald wordt door de wetenschappelijke bezinning op de ambtskleding. Ons persoonlijke psychogram en ons persoonlijke socialisatieproces spelen hier een belangrijke rol.

Om het gesprek met collega Hoogstrate te stimuleren, wil ik tot slot aangeven aan welke aspecten van de vraag naar de liturgische kleding ik grote waarde hecht.

- Met het overnemen van symbolen uit een andere dan de reformatorische traditie heb ik wat moeite. Dit geldt in het bijzonder de albe en de stola, daar ze in de romana nog steeds hun belangrijke rol spelen. Het gebruik ervan werkt verwarrend. De protestantse ambtsopvatting en visie op de leken is niet dezelfde als de rooms-katholieke visie.

- De reformatorische ambtsopvatting is wellicht niet eenduidig, maar de lijn die Van de Beek onlangs in het GTT heeft geschetst lijkt me zeer legitiem. Hij verbindt daaraan terecht de consequentie dat alles wat het bijzondere van de voorganger accentueert vermeden dient te worden. De voorganger is geen priester, geen middelaar tussen God en mensen die daarvoor bovendien het alleenrecht bezit, maar staat, als de gemeente, onder het Woord. Woord en Geest beide zijn aan de gemeente gegeven, niet aan de clerus. Moeten de geestelijken zich dan in kleding onderscheiden van de leken? En dat nog wel met rooms-katholieke symbolen die toch onmiskenbaar verbonden zijn met een bepaalde visie op de leken?

- Vrome en esthetische rechtvaardiging van liturgische kleding is zeker mogelijk, en ik wil geenszins een pleidooi voeren voor smakeloosheid. Een toga kan ons wat dat betreft heel goed tegen onszelf beschermen. Mits men er gepaste sokken en schoenen weet te kiezen. Maar deze esthetische en religieuze motieven komen nooit in 'Reinkultur' voor. Zeker waar het esthetische argumenten betreft hebben we direct te maken met socialisatieprocessen en daarmee met de sociale gelaagdheid van onze samenleving. Dit maakt de vraag naar ambtskleding hoogst ingewikkeld. Verschil in stand en cultuur kan toch in de kerk niet het laatste woord hebben, en het is zeker geen theologisch argument. Dat wordt het echter wel als Hoogstraten in zijn brochure opmerkt dat goede kleding, goede architectuur en goede muziek wezenlijk zijn voor de viering van het geloof. Daarmee wordt een organisatie als het Leger des Heils alleen al om muzikale redenen gediskwalificeerd. Het gaat in de kerk niet om wat wij mooi vinden, maar om de vraag hoeveel ruimte wij mensen weten te scheppen voor Gods Woord en voor de Geest. Kleding is niet wezenlijk, en zeker geen garantie. Zie de Borgia's. En, omgekeerd, Vele opwekkingsbewegingen werden geleid door mensen wier muzikale en esthetische ontwikkeling niet op dezelfde hoogte stond als van de elite in hun dagen.

 

 

Amstelveen, dr. M.J.Aalders

3 september 1992. Verschenen in: Eredienstvaardig, november 1992