Zoeken

Democratie in de kerk PDF Afdrukken E-mailadres

Democratie in de Kerk

Stralend zaten ze op mijn studeerkamer. Ze hadden een huis gevonden en wilden trouwen. Vanzelfsprekend wilden ze dat over hun huwelijk een zegen werd gevraagd. Dus waren ze bij me gekomen. Leuke mensen, en een heerlijk bruidspaar. De vreugde spatte er van af. Ze hadden zelfs wat ideeën over de dienst. Daarbij behoorde ook gezang 300: ‘Eens als de bazuinen klinken’. Waarom ze dat lied hadden uitgekozen, vroeg ik. Nu, vanwege de melodie, naar de woorden hadden ze nog niet echt gekeken. We sloegen het liedboek op. Geduldig legde ik uit waar dit lied over ging. Over Gods grote toekomst, als alle tranen van de ogen gewist zullen zijn. Ach, huwelijk rijmt soms op gruwelijk, schreef Maarten ‘t Hart eens. Maar om je huwelijk te beginnen met dit lied? Je begint toch met elkaar omdat je er in gelooft? Je trouwt toch met elkaar omdat je van elkaar houdt? Dan past gezang 300 toch niet? Godzijdank liet het bruidspaar zich overtuigen. Het werd een mooie, blije dienst.

Aan deze ontmoeting moest ik terugdenken op een van de avonden van Hemelstorm. Er was een groepje dat graag wat meer betrokkenheid vanuit de gemeente bij de kerkdiensten wilde. Met schroom werd mijn richting uitgekeken. Wat ik daar van vond. Nu ja, ik vind dat wel goed. Niet omdat de kerk een democratie is. Niet omdat iedereen verstand van zaken heeft. Niet omdat iedere wens maar gehonoreerd moet worden. Maar omdat het van belang is dat we in de eredienst vormen weten te vinden die ruimte weten te creëren. Ruimte die gevuld kan worden door de Woord en Geest. Bij het zoeken van die ruimte komt het aan op goede communicatie tussen predikant en gemeente. Vandaar dat er iedere week een bijbelkring is, vandaar dat er een muziekcommissie is. Vandaar dat er regelmatig overleg is met de ZWO-commissie, met de kindernevendienst-commissie, met andere gemeenteleden of commissies als daar aanleiding voor is. Vandaar dat er nog veel meer mogelijk is.

Eredienst is een vorm van pastoraat. Pastoraat, dat komt van pastor, herder. De herder moet weten waar de kudde is. De Herder weet waar de kudde is. De Grote Herder. Hij is op zoek, weidt de kudde, leidt haar naar grazige wijden. Alle andere vormen van pastoraat ontlenen hun betekenis daaraan. Zoals er maar één hogepriester is, zo is er maar één Herder. Daarom gaat het, ook in de eredienst: of de mensen zich gevonden zullen weten door Christus.

De Goede Herder, hij die gestalte geeft in Woord en Geest aan de Naam, ‘gebruikt bij zijn dienstwerk mensen’. Gods aanwezigheid is altijd ‘bemiddelde’ aanwezigheid. In menselijke vormen, in menselijke gestalten, in menselijke gebeurtenissen, ontwaren wij soms de Aanwezige.

Dat brengt de ambtsdragers in een bemiddelende positie. De ouderlingen, de diakenen, de predikant, ze zijn geen ‘gewone’ gemeenteleden. Ze staan in het ambt. Ze zijn niet in dienst van de gemeente, ze zijn niet het knechtje van de belangengroeperingen, ze zijn geen voetveeg voor al wie behoefte heeft het vuil van zijn voeten te vegen. Ze staan in het ambt, door God geroepen. Ze dienen daarmee de gemeente. Het ambt heeft een priesterlijk trekje. De ambtsdragers staan tussen God en mensen in. Ze vertegenwoordigen God bij de mensen, ze vertegenwoordigen de mensen bij God. Of die taak eenvoudig is? Nu, denk eens aan Mozes. Hoe hij worstelde met het volk, maar ook met de Allerhoogste. Ik heb wel eens met Mozes te doen.

Het wordt tijd terug te keren tot mijn lief bruidspaar, en tot de hemelstormers. Tot de mensen die meedenken over de eredienst. Zijn ze welkom? Als de Heer zelf hen wil ontmoeten, wie zou dan durven zeggen dat ze niet welkom zijn? Maar is daarmee de eredienst tot een democratisch schouwspel geworden? Nee, dat niet. Ten diepste hopen we dat de Heer zelf de Voorganger is. Hem schrijven we niets voor. Hij weet wat wij nodig hebben. Aan hem vertrouwen we ons zelf toe! En waar het gaat om al die bemiddelende vormen, daarvoor is iemand van Godswege geroepen, en door de gemeente beroepen. Iemand van wie we wijsheid en kennis verwachten, inzicht ook, en deskundigheid. En mocht het hem daaraan soms ontbreken, onze hulp is in de Naam van de Heer, zo weten we. En in liefde pogen we aan te vullen wat ontbreekt, vooral als we het gevoel hebben dat de gemeente (of een deel daarvan) stenen voor brood krijgt.

De voorganger zal hiermee rekening houden. Er is niets heerlijkers dan een biddend, betrokken, loyaal gemeentelid, dat mee denkt over wat zich in de eredienst afspeelt. Maar de voorganger moet ook nog met andere zaken rekening houden, en sommige van die zaken wegen hem zwaarder dan de wensen van de mensen. Het Woord Gods, bijvoorbeeld. Of zijn wetenschappelijk geweten, zijn exegetische vakkennis, met de eisen die de homiletiek stelt, met de eisen die het spreken voor een grote zaal met zich meebrengt, bijvoorbeeld aan ‘timing’. Daarmee komen we in een spanningsveld. Een eredienst zonder gemeente mist haar doel, een gemeente die geen behoefte heeft aan leiding zal verdwalen in de anarchie.

Het bruidspaar was vol begrip. Het was het eigenlijk wel met me eens, dat gezang 300 niet in een feestelijke trouwdienst thuishoorde. Soms loopt het anders. Dan begint het gemurmereer. Maar iemand neemt de laatste beslissingen. Over de tekstkeuze, de exegetische beslissingen die ten grondslag liggen aan de preek, de liedkeuze, de opbouw van de dienst. Hij doet precies datgene waartoe hij beroepen is, en waartoe hij ten diepste geroepen is. Deze beslissingen hangen samen zijn vakkennis, gaven en spiritualiteit van de voorganger. Hij kan ze niet nemen zonder dat het bruidspaar aanwezig is. Hij moet ze wel nemen. Hij neemt ze. Hij neemt ze.

19 juli 2000

MJA