Zoeken

Kerkelijke kleding PDF Afdrukken E-mailadres

Een bont geheel

Onlangs had ik het voorrecht een intrededienst van een nieuwe collega bij te wonen. Ik keek mijn ogen uit. Vijf collegae maakten hun opwachting om deze intrede een bijzonder karakter te geven. Het leek wel een bevestiging in het ambt, vooral toen haar plechtig de stola werd omgehangen. Maar afgezien daarvan verbaasde ik me over de bonte stoet die zich op het podium verzamelde. Twee droegen een klassieke zwarte toga, met bef, en zonder baret, twee droegen een licht beige gewaad, één droeg spierwit gewaad. En dan nog de verschillende stola’s. Het was inderdaad een bont geheel. Heel anders dan de sobere diensten uit mijn jeugd, toen een aanzienlijk deel van de voorgangers in een gewoon donker pak voorging, of ‘in het ergste geval’ in een zwarte toga. Tussen mijn jeugd en nu liggen jaren van heroriëntatie, zeker voor de gereformeerden onder ons. Jaren waarin we langzamerhand uitgeluisterd raakten naar al die monologen die vanaf grote hoogte over ons werden uitgestort. Het oog wil ook wat, en eredienst is meer dan prediking, zo werd alom verkondigd. Viering moest het worden, een viering die alle zintuigen aanspreekt. En bij een viering past geen zwart. Zwart, dat is voor ons de kleur van de dood, van de somberheid. Het mag gerust een beetje feestelijker in de eredienst. Vandaar.


Wat zegt de ambtskleding? Nu behoort de kleding van de voorganger tot de zogenaamde adiaphora, tot de zaken die er minder toe doen. Toch is het niet helemaal onverschillig. Met kleding brengen wij mensen onderscheid aan, met kleding geven we onszelf een plaats in de samenleving, met kleding zenden we een boodschap uit. Dat is in de kerk natuurlijk niet anders dan daarbuiten. Kleding zegt iets. Maar wat zegt de ambtskleding? Dat hangt er vanaf aan wie je het vraagt. En daarmee bedoel ik te wijzen op het feit dat de boodschap niet altijd dezelfde is. Om nog eens terug te keren naar het sombere zwart: dat is onze taxatie van die kleur. Maar in vroeger eeuwen stond zwart voor deftig. Welnu, zo is het ook met de liturgische kleding. De witte albe sprak in de 4e eeuw een andere taal dan in de 12e eeuw.


Oorsprong van albe en stola Waar komt die kleding eigenlijk vandaan? Welnu, veel onderdelen van de traditionele priesterkleding stammen uit het laat-romeinse rijk. Het was de kleding van de ambtenarij uit de vierde/vijfde/zesde eeuw na Christus, die ook in de kerk ingeburgerd raakte. Het laat iets zien van de nauwe verwevenheid van kerk en overheid in die tijd. Maar toen in de achtste eeuw de mode veranderde, volgden de kerkelijk hoogwaardigheidsbekleders deze niet. Ze bleven zich hullen in de kleding van de vroegere ambtenarij. Zo werd seculiere kleding tot kerkelijke kleding.

Het effect van deze ontwikkelingen is onder meer geweest dat het onderscheid tussen geestelijken en leken steeds sterker werd beklemtoond, en ook binnen de geestelijke stand worden verschillen in kerkelijke status zichtbaar gemaakt door middel van de kleding en vooral speciale kledingstukken. Eén van de auteurs die ik over dit onderwerp raadpleegde, neemt ergens de militaire klederdracht als voorbeeld: het is aan de kleding van de geestelijkheid duidelijk af te lezen met wie we te maken hebben, bij welk onderdeel hij hoort, en hoe de rangen en standen zijn. Van den beginne was is het echter niet zo geweest, het is zo gegroeid.


Van den beginne is het niet zo geweest. De gemeente van Christus was charismatisch van opbouw, niet ambtelijk en hiërarchisch. Althans niet in eerste instantie. En van speciale kleding voor de ‘ambtsdragers’ is ons niets bekend. Geen wonder, want de enige ambtkleding die wij uit het Oude Testament kennen is de kleding van de (hoge) priester. Diens bediening was in Christus vervuld. Vandaar dat de kledingvoorschriften uit het Oude Testament geen plaats hebben gevonden in de kerkelijke gebruiken. Overigens las ik ooit een preek van een collega die de lijn van de hogepriesterlijke kleding naar de toga wist door te trekken. Maar dat was een unieke exegese. Er bestaan wel degelijk theologische verklaringen van de liturgische kleding, maar zoals altijd komt de reflectie pas achteraf op gang. Vanaf de 9e eeuw wordt het verschijnsel van de liturgische kleding voorwerp van theologische bezinning. In die tijd gaat men in de stola bijvoorbeeld het symbool van het ambt zien, dat als een juk op de schouders van de ambtsdrager wordt gelegd. Ook de kleuren krijgen hun betekenis toegemeten. Wit bijvoorbeeld is het symbool van de reinheid, later van de kuisheid. Vanaf de 12 eeuw vinden we veel typologische verklaringen. Daarin wordt de kleding niet in verband gebracht met de ambtsdrager, maar met Christus. Want de priester representeert tijdens de eucharistie de lijdende Christus, en zijn kleding is daarvan het symbool. In dit verband valt te wijzen op de zijde als stof voor de albe, die heen wijst naar de zijderups/vlinder, en daarmee naar de opstanding van Christus. En de stola verwijst naar de koorden die de soldaten om Jezus' hals bonden om hem naar Golgotha te slepen. Deze verklaringen hebben tot ver in de twintigste eeuw hun geldigheid behouden!


De Reformatie en het ambtsgewaad Voor wie dit beseft is het geen verrassing dat de reformatoren hier merendeels andere wegen gingen. Dit werd onder meer zichtbaar in de ambtsopvatting en daarom ook in het grotendeels verdwijnen van de liturgische kleding. Zwingli was op dit punt overigens het meest stringent, Luther hechtte er minder waarde aan. In Nederland is er tot in de achttiende eeuw geen sprake van speciale kleding van de predikanten. De predikanten droegen wat een man van zijn stand geacht werd te dragen. Daarbij volgde men dus de mode.

Zo kwamen ook mantel, bef en kuitbroek onder de predikanten in zwang. Oorspronkelijk kleding die aan het Franse hof werd gedragen, en vandaar uit zijn weg naar de andere sociale lagen vond. Het merkwaardige is nu, dat deze kleding in de predikantenstand beklijft. Aan de lengte van de mantel konden kenners iets aflezen omtrent de theologische richting van zijne eerwaarde, en een wijsneus wist zelfs te verklaren dat de driekanten steek van de predikant verwees naar de drie eenheid.

Toch moest deze kleding langzamerhand het veld ruimen en plaats maken voor de zwarte toga met bef en baret. Ook deze kleding hield een boodschap in. De voorganger, in dat academische gewaad, is een academisch geschoolde vakman. Bovendien kwam deze kleding tegemoet aan het verlangen van sommigen om iets meer distantie te scheppen tussen de predikant en de gemeente. In een tijd van democratisering voorwaar geen onbelangrijke zaak. Zo kon de toga ook symbool worden van het ambt. Om die reden was hij bij de gereformeerden niet populair. In het algemeen benadrukten zij dat er geen onderscheid was tussen de voorganger en de andere gelovigen. Men vreesde dat de predikant zich te veel als priester zou gaan opstellen. Hij was dienaar des Woords, en dat is iets anders.


Onze ambtskleding Ik hoop voldoende duidelijk gemaakt te hebben dat kleding altijd iets zegt, en dat dat ook geldt voor de ambtskleding. Maar welk antwoord je krijgt is afhankelijk van degene die de vraag krijgt voorgeschoteld. Een middeleeuwer spreekt nu eenmaal een andere taal dan wij. En dat brengt me tot de vraag: wat zegt het gebruik van al die symbolen ons? Ik vermoed: heel weinig. Daarvoor is ons historisch besef grosso modo gering, en daarvoor hebben we grosso modo te weinig belangstelling voor de achterliggende theologische vragen. Onze tijd is een tijd van imago, van de buitenkant, van het oog. Als het er maar aardig uit ziet. Ondertussen maak ik me niet langer druk over de onzin die over de ambtskleding wordt rondgebazuind. Zo las ik ergens dat wit de kleur van de engelen is, en vandaar die witte albe. De predikant als engel… Weer een ander noemde in het handboek voor de liturgie de stola het symbool van het ambt van predikant. Laat ik nu altijd gedacht hebben dat er verschil is tussen een priester en een dienaar des Woords? En dat de stola bij uitstek symbool van het priesterambt is? Heb ik een concilie gemist of zo? Heel oecumenisch was ook die kerkenraad die voor een collega met zwarte toga een serie stola’s aanschafte. Dat kleurde zo leuk op het zwart. Nee. Ik wil me er niet meer druk over maken. Maar als ik gevraagd wordt om eens te zeggen wat ik er van vind, dan ben ik daartoe wel bereid. Mijn punt is dat symbolen die zo’n lange geschiedenis kennen, niet zomaar in een andere context kunnen worden overgeplant. Je moet dan toch op zijn minst afspreken wat je er mee bedoelt als je een collega die intrede doet een stola om de hals hangt. Het ziet er misschien aardig uit, maar theologisch gesproken …..


M.J. Aalders, Amstelveen