Zoeken

Wat een boeven! PDF Afdrukken E-mailadres

Wat is de mens…?  Naar aanleiding van het strijdbare leven van dr. J.G. Geelkerken

 

Onlangs voltooide ik de biografie van dr. J.G. Geelkerken (uitgave Bert Bakker). Deze Amsterdamse predikant werd in 1926 door de (gereformeerde) synode van Assen onder andere veroordeeld omdat hij niet zonder meer wilde beamen dat de slang in het paradijs zintuigelijk waarneembaar had gesproken. Tijdens het schrijven werd ik bijgestaan door een handvol ‘meelezers’. Mensen die de gereformeerde wereld en het historisch ambacht goed kennen en met hun inzicht en ervaring een bijdrage hebben geleverd aan het uiteindelijk resultaat. Een van hen verzuchtte, na weer een hoofdstuk vol van conflicten: ‘Wat een boeven waren het toch, die gereformeerde vaderen.’ Hij heeft groot gelijk.  En als ik dat zeg, hoeft niemand me te verdenken van vooringenomenheid. Door afkomst, studiegang en loopbaan voel ik me zeer verbonden met het gereformeerde voorgeslacht, maar ik heb bij het schrijven van dit boek geen behoefte gevoeld om de zonden der vaderen toe te dekken. Dat is ook niet de taak van de historicus. Zijn taak is het verleden inzichtelijk te maken en de doden recht te doen. Zij hebben immers geen verweer, en ik hoop dat me dat gelukt is: niet goedpraten, maar recht doen. Toch bleef de opmerking van de ge(l)eerde meelezer knagen. Waren het zulke ‘boeven’, die gereformeerde vaderen, en moeten we ons er voor schamen?

In de eerste plaats ben ik er niet van overtuigd dat het ‘onder ons’ erger was dan bij anderen. Men leze de biografie van Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) die in 2012 verscheen. Ook in zijn linkse kringen ging het onderling bepaald niet altijd netjes toe, en regelmatig werden er rekeningen vereffend. Ook daar speelde de discussie om de koers van de beweging, ook daar speelde de vraag naar de macht, ook daar kwamen mensen tegenover elkaar te staan, en Nieuwenhuis en Troelstra waren geen vrienden. Kortom, het was net zo erg als ‘onder ons’, minstens, zo voeg ik daar aan toe. Dat scheelt, al is het een schrale troost.

Maar toch, moeten we ons niet schamen voor zo’n conflict? Een emeritus-predikant uit Assen merkte in een radio-interview naar aanleiding van het boek op dat er geen reden is om ons voor de synode van Assen te schamen. Evenmin is er reden om schuld te belijden, zoals tegenwoordig nogal in de mode is als het gaat om de zonden der vaderen. Eerder is er reden om dankbaar te zijn voor wat de synode toen heeft gedaan. In Assen, zo stelde hij, ging het om de wezenlijke vraag: Hoe kan ik er zeker van zijn dat wat in de Bijbel staat waar is? Daar hangt voor een mens nogal wat vanaf. En de synode had een open oog voor deze existentiële nood van het ‘gewone’ kerkvolk. Ik vind een waar woord van mijn Asser collega. Voor het besef van ons voorgeslacht stond de betrouwbaarheid van de Bijbel op het spel, en daarmee de geloofszekerheid. Het ging dus echt ergens over. Dat is volgens James Kennedy tegenwoordig anders. Hij wees er onlangs in het dagblad Trouw op dat de PKN een gebrek aan ‘robuust geloof kent. En dat een kerk het op den duur niet redt met het clubgevoel van goedbedoelende mensen die iets voor anderen willen betekenen. Of die van de kerk een ontmoetingsplaats willen maken om vorm te geven aan ons spirituele leven. Beiden, de emeritus uit Assen en de Amsterdamse hoogleraar Kennedy, geef ik graag gelijk. Het ging ergens over, en dat lijkt tegenwoordig wel eens te ontbreken. Hetgeen niet weg neemt dat de biografie van Geelkerken ons nu en dan onthutsende taferelen uit het rijke gereformeerde leven voorhoudt.

Maar er is nog iets anders. Want het is de vraag of wij het zoveel beter doen. Jaren geleden noteerde ik een citaat uit het befaamde boek van Geert Mak, De eeuw van mijn vader, nu greep ik er op terug en gaf het als motto mee aan de biografie. Terugblikkend op die eeuw vol geweld merkt Mak op dat wij geen betere mensen zijn geworden, en dat het goed is om ons dat te realiseren. Onze grootouders en overgrootouders waren anders, maar niet slechter of minder dan wij. Zo’n uitspraak getuigt van wijsheid.  Als dienstdoend predikant heb ik het Samen op Weg proces van nabij meegemaakt. Bij ons ging het gepaard met een bittere noodzaak om te bezuinigen. In 17 jaar werd het aantal kerkgebouwen en predikantsplaatsen gehalveerd, en je hoeft geen insider te zijn om te beseffen dat zo’n proces wel gepaard moet gaan met wat ik hier maar vriendelijk wil omschrijven als ‘duw- en trekwerk’. Zou de catechismus dan toch gelijk hebben met de uitspraak dat wij mensen geneigd zijn tot alle kwaad? Ik ken er velen die gruwen van deze uitspraak, toch denk ik diep in mijn hart dat de schrijver van de catechismus gelijk had. Maar ik voeg daar dan direct aan toe wat meestal vergeten wordt, maar ook in de catechismus staat: ‘tenzij wij door de Geest Gods worden wedergeboren’. Laten we daar voor de komende tijd dan maar op hopen.

 

 

Maarten J. Aalders

1 september 2013