Zoeken

Aalders in Israel PDF Afdrukken E-mailadres

Het moest er een keer van komen. Ik was nog nooit in het beloofde land geweest, en mijn neefje Stefan, die daar voor de EU werkzaam is in de staf van Tony Blair, vond dat belachelijk.  ‘Je hebt er 25 jaar over gepreekt en je bent er nooit geweest.’ Natuurlijk. Ik voerde allerlei verontschuldigingen aan. Ik had goede argumenten, bovendien was ik ouder dan hij. Maar hij had wel gelijk. Ik was er nooit geweest. Hij bleef volhouden.  Je moet een keer komen.

Ik liet me overhalen en dus reisde ik voor het eerst van mijn leven naar het beloofde land. Met lood in mijn schoenen, dat wel. Het romantische beeld dat veel van mijn medepelgrims hadden toen ze op weg gingen, bleek meestal niet bestand tegen de werkelijkheid die ze er aan troffen. Reeds in de 19e eeuw schreef Mark Twain over zijn desillusie bij het zien van het meer van Tiberias. Is that all there is? En velen voelden het net zo. Stoffig, heet, druk, droog, dat land van belofte. En altijd gedonder. Moest Abraham daarvoor huis en haard verlaten? Geef mij maar een zoete droom, liever dan de bittere realiteit. Maar Steef was onverbiddelijk. Ik moest komen.

Ik ging en zette daarmee mijn romantisch beeld van het beloofde land op het spel. Marjanne ging mee om af en toe mijn hand vast te houden of mij een corrigerende por tussen de ribben te geven. We bezochten onder meer de oude stad, de klaagmuur, Jad WaSjem, de olijfberg, het Israëlmuseum en de graftuin. Steef had bovendien een  betrouwbare taxichauffeur geregeld die ons naar Palestijns gebied reed. We bezochten Qumran, het paleis van de een of andere sjeik en het klooster op de berg, om de volgende middag een paar uur in Bethlehem door te brengen. Rafael, onze taxichauffeur, een christelijke Palestijn met een Jordaans paspoort, bracht ons op de hoogte van wat er in de onderbuik van de gewone man leeft. Arabische taxichauffeurs moesten we niet vertrouwen, de orthodoxe joden met hun zwarte kleding en pijpenkrullen gaan niet vaak in bad, hetgeen in de zomer tot onaangename geurtjes leidt, en de koningin van Jordanië was zijn held. Geen wonder. Zijn dochter werkt in de hofhouding. Steef en zijn zus, mijn nicht Eva, die in Ramallah werkt, praatten ons bij over de strategie van Blair, Hamas, de PLO en de regering van Israel.

Zes dagen Jeruzalem en nog wat. Hoe verging  het mijn romantisch beeld? Was ik gelukkiger dan Mark Twain? Laat me dat duidelijk maken aan de hand van een paar voorbeelden.

We bezochten de zogenaamde graftuin, volgens de overlevering de welgestelde Jozef van Arimathea ter beschikking was gesteld om Jesjua te begraven, met uitzicht op een rotswand in de vorm van een schedel, ongetwijfeld, aldus diezelfde overlevering, Golgotha. Maar in plaats van de rust van een kerkhof trof ik daar de drukte van een religieuze kermis aan. Onder de open hemel vonden minstens vijf kerkdiensten plaats, in verschillende talen en van verschillende denominaties. De ene groep zong nog harder de andere, de meeste Amerikaanse predikers waren te dik, schreeuwden te hard en hadden een cowboyhoed op. Wie de graftuin wilde verlaten, kon niet anders dan een bijna eindeloze rondgang door de souvenirwinkel maken op weg naar de uitgang. Ik heb er niets gekocht.

Dat deed ik ook niet in de oude stad. Op het moment mijn voetstap een fractie vertraagde, mijn blik slechts een ogenblik gleed over de prullaria die werden aangeboden, was ik een prooi voor de kooplui. Rustig kijken was er niet bij. Er viel trouwens niet veel te zien. Rommel was het, en allemaal hetzelfde. Maar doorlopen was ook bijna onmogelijk. Ik ben van na het maagdenhuis moet u weten. In mijn tijd gold het adagium: als een man nee zegt bedoelt hij ook nee. Daarvan ben ik nooit meer los gekomen, en ik stel er prijs op geloofd te worden. Erger nog dan de Arabieren in de oude stad waren de christenen in Bethlehem. Zodra ze hoorden dat ik niet van plan was iets van hun prullaria te kopen, vroegen ze me of ik christen was. Afgezien van de zeven keer dat ik volgens de statistieken per dag lieg, lieg ik niet, dus ik kwam daar rond voor uit, om vervolgens gechanteerd te worden. Ik moest, als welvarende christen uit het westen, toch medelijden hebben met mijn broeders op de onderdrukte Westbank. Maar als ik nee zeg, bedoel ik ook nee. En of het christenen, moslims of vrouwen zijn, ik wil dat dat gerespecteerd wordt.

Natuurlijk bezochten we ook de Klaagmuur. Mijn schoonzus heeft borstkanker en ik was vastbesloten daar een gebed uit te spreken, voor haar, en voor onze Annabelle. Je kunt immers nooit weten. Maar voordat ik de kans kreeg de Allerhoogste aan te roepen  werd ik tegengehouden door een orthodoxe jood die vroeg of hij met me mocht bidden. Ik was toch al in een vrome stemmng, dus waarom niet? Hij legde mij de handen op en sprak een gebed uit. Of ik getrouwd was, en toen dat zo bleek te zijn, werd er ook voor mijn Marjanne een gebed uitgesproken. Daarna mijn kinderen. Ik wilde mij al naar de Klaagmuur spoeden, toen me duidelijk werd gemaakt dat deze viervoudige voorbede en zegening me toch wel een flink aantal shekels waard moest zijn. Ik kreeg een por van Marjanne in mijn ribben en ik was zo verstandig om niets over Jesjua en de wisselaars in de tempel te zeggen, maar kon het toch niet nalaten om te verwijzen naar de roomse aflaten. Bidden en geld gaan voor protestanten zoals ik niet samen, zo legde ik uit. Ik kon mijn orthodoxe broeder niet van mijn gelijk overtuigen.

De terugreis was een avontuur op zich. We reisden samen, Marjanne en ik, en daarom kregen we uiteindelijk code 2, hetgeen betekende dat we geacht werden betrekkelijk ongevaarlijk te zijn. Maar een jochie van achttien  ondervroeg ons. Vlassig blond haar, blauwe ogen, en hij sliste. Hij moest  weten of ik hem niet bedroog. Marjanne droeg een andere naam dan ik, zo had hij uit onze paspoorten opgemaakt. Bij zo veel onwetendheid in een land met zoveel Nobelprijswinnaars zakte mijn broek af. Ik begon  hem uitleggen dat mevrouw Aalders mijn moeder is en inmiddels dementerend en niet in staat om naar het beloofde land te reizen. Marjanne Koops was mijn wettig echtgenote. Ik had al een historisch betoog over de vrouwenemancipatie en de Nederlandse wetgeving in mijn hoofd, toen mijn Marjanne mij een stevige por in mijn zijde gaf. Hou je mond. Zeg ja en Amen. Ik wil naar huis. Ik hield mijn mond, ik zei ja en amen, en dacht naar huis te kunnen reizen.

Helaas. Mijn koffer werd uit de stroom bagage gelicht, opengemaakt door een jonge dame. Ze was achttien lentes jong, ogen als vurige kolen, borsten als tweelingjongen van gazellen. Ze viste uit mijn koffer een boek uit over Israel en de Palestijnse gebieden. Niet dat ze Nederlands sprak, maar het woord Palestijns was kennelijk herkenbaar genoeg om de Mossad te alarmeren. Ze verdween met het boek, keerde na een kwartier terug en vroeg wat Amstelveen betekende. Er zat namelijk een sticker in van de openbare bibliotheek te Amstelveen. Bij voorbaat kreeg ik al een por van mijn Marjanne, dus ik poogde de jongedame, geprezen zij haar schoonheid, rustig en beleefd antwoord te geven. Ik legde haar uit dat het boek uit de public library van Amstelveen kwam. Maar wat Amstelveen dan was. Ik was trots op mezelf, ik zei heel rustig dat ik daar woonde en dat ik daar ook niets aan kon doen. Godzij dank mochten we naar huis.

Onderweg kwam natuurlijk de vraag wat er van mijn romantische beeld was overgebleven. Was het gesneuveld, zoals ik tevoren had gevreesd? Was het terecht geweest dat ik zolang geweigerd had om in Abrahams voetsporen te gaan? Ach, de religieuze kitsch was erger dan in Rome, maar op zich niet schokkend voor mijn vroom gemoed.

Wel viel me de buikomvang van nogal wat Amerikaanse predikers op. Ongezond dik. Voor hen ongetwijfeld teken van zegen, voor mij vies, vet, ongezond. Hun buik is hun God, zegt Paulus over de gojim. En waar het Amerikanen betreft, had hij ongetwijfeld gelijk.

Voor de wijze waarop Arabische kooplui hun rommel aan de man proberen te brengen of waarop de Arabische taxichauffeur in Bethlehem mij trachtte af te zetten, heb ik weinig waardering. Met de kinderen die bij het checkpoint Bethlehem en op Ben Gurion Airport hun werk deden heb ik vooral medelijden. De chantage van de christelijke kooplui in Bethlehem was beneden de maat. Nee. De mensen zijn daar net zo erg als hier in Nederland. Daarom breng ik mijn dagen door in het archief. Dode mensen bevallen me beter. Ze kunnen in ieder geval niets terug zeggen.

Is er nog wat van mijn romantisch beeld van Erets Israel overgebleven? Romantisch was het niet. Fascinerend wel. De grote tegenstellingen in dat land, de alomtegenwoordigheid van religie en van politiek, de spanning die dit alles met zich meebrengt, het kindermonument in Yad Washem meer dan de tentoonstelling van de Duitse gruwelen, romantisch was het allemaal niet. Fascinerend was het wel. Maar toen ik in de vroege ochtend de Olijfberg afdaalde, en me tussen de graven  door begaf in de richting van de gouden poort, toen besefte ik dat alle religieuze kitsch, alle politieke zelfrechtvaardiging, alle economisch eigenbelang toch niet in staat waren geweest  mij te beroven van een heel oud en diep verlangen. Dit verlangen, dat de zaken in deze wereld toch eindelijk een keer recht worden gezet. Moge de messias spoedig komen.

 

 

MJA