Zoeken

Kerstmis met Rotary Minerva PDF Afdrukken E-mailadres

Kerstmis met Rotary-Minerva

Bij het verschijnen van Gaat de elite ons redden?(Amsterdam 2007), door dr M.J. Aalders

 

Beste vrienden en vriendinnen,

Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, overlegde ik als een kind. Aldus de apostel Paulus in zijn brief aan de gelovigen in de grote havenstad Corinthe. Toen ik een kind was…

Toen ík een kind was, sprak en voelde en overlegde ik inderdaad als een kind. En ik was gelukkig. Gewoon, domweg gelukkig, in mijn geval in de Parkietstraat. De wereld was helder en overzichtelijk. Je had mijn grote broer, die niet alleen groot maar ook sterk was. Je had mijn grote zus, die bij het ruzie maken aan je haren trok en krabde, je had mijn vader en mijn moeder.

En Rientje was er, mijn buurjongen. Met hem verkende ik de grote wereld. In die wereld speelden de vuilnisman en de melkboer de hoofdrol. Twee keer per week kwam de vuilnisman langs. Zodra we hem aan hoorde komen, spoedden Rientje en ik ons naar de hoek van de straat, de uiterste grens van ons territorium. Mijn buurjongen op zijn rode driewieler, ik achterop. En de hele lange weg naar van het begin tot het einde van de straat werd de vuilnisman door ons begeleid. Wij keken de kunst af, met het oog op later. Want vuilnisman worden, dat leek ons wel wat. En mocht dat om de een of andere manier niet lukken, dan wilden we melkboer worden. Want net als de vuilnisman was ook de melkboer een fenomeen in onze kinderwereld. Hij kwam met paard en wagen. Bij de vuilnisman hebben we nooit mee mogen rijden, maar als de melkboer een goede bui had, mochten we op de bok. Een klein stukje meerijden. Vuilnisman of melkboer. Dat wilden we worden. Meer smaken waren er niet, en misschien waren we daarom zo gelukkig. De wereld was nog simpel en overzichtelijk.

Die simpele wereld van mijn jeugd sneuvelde toen wij verhuisden en terechtkwamen in het Gooi. Ik volgde het onderwijs aan het Willem de Zwijgerlyceum, een school in Bussum die het goed met zichzelf had getroffen. Voor mij ging een wereld open. Voor het eerst werd me duidelijk dat onze samenleving een sociale gelaagdheid kende. Er waren niet alleen openbaren en katholieken -dat had ik na mijn kleutertijd nog bijgeleerd-, er waren nog veel meer soorten mensen. Er was, begreep ik voor het eerst, er was zoiets als een elite.

Je had bij ons op school, grofweg, de kakkers en de dijkers. De kakkers, die woonden in het Spiegel, in Laren of in Blaricum. Ze woonden in Valkeveen, of in Bikbergen. De dijkers kwamen uit Huizen, of uit de armere wijken van Naarden en Bussum.

Ik woonde precies tussen de kakkers en de dijkers in. Achter ons Bikbergen, waar jhr Sickkinge woonde. Zijn dochter Ina was een aardig meid, ze trouwde later met een zoon van Giscard d’Estaing. Voor ons lag Valkeveen, waar Schuitema, de grutter woonde, die een briljante zoon had. Links van ons Bussum, met het statige spiegel, rechts van ons Huizen, waar Jan Klein woonde. Zijn vader had een kaashandel, hij had een heldere kop. En Laren was er ook nog, waar de bankiersfamilie Beijen woonde. Ik leerde autorijden in de kever van mevrouw Beijen, op hun landgoed.

Ik noem nu maar de namen van jaargenoten die me te binnen schieten.  Er liepen natuurlijk nog vele anderen rond, met namen die uit het rode of blauwe boekje bekend zijn, maar ook jongens die Rebel heetten, of Schaap, of Vos. Erfgooiers, wier familie daar al eeuwenlang had gewoond. Ik bevond me dus in het centrum van een ingewikkelde wereld.

Het was zoals de apostel zegt: ik legde langzamerhand af wat kinderlijk was. Van de simpele wereld van mijn kinderjaren bleef niets over. En ik verloor mijn onschuld. Er was hoog en laag, er waren er die mee mochten spelen, er waren er die aan de kant moesten blijven staan. Er was een soort oorlog aan de gang. Een oorlog om toch maar vooral gezien te worden, en mee te mogen doen, om er bij te horen. Langzamerhand leerde ik iets begrijpen van de codes die het samenleven van mensen beheersen. Wilde je mee tellen, dan moest je maar liever geen melkboer of vuilnisman worden. En je kon het beste gaan hockeyen bij Laren, en zeker niet gaan korfballen in Huizen. Ik ontdekte dat er zoiets was als oud geld en nieuw geld. Er waren rijke cultuurbarbaren, en mensen zonder aanzien met een grote levenswijsheid. Er was kouwe drukte en er was zo iets als innerlijke beschaving. Plooirok, parelketting en pennyshoes en een lange donkerblauwe jas van Conemans uit Utrecht voor de meisjes die zich tot de schoolelite of meer rekenden, schoenen van Greve, een brede ribbroek en een wollen pullover voor de heren. En in het laatste jaar een driedelig grijs kostuum voor hen die stonden te popelen om lid van Minerva te worden.

Dat alles krioelde op het Willem door elkaar, op zoek naar een plaats in de samenleving. Een mainstream die het aanzien van de school bepaalde, en verschillende subculturen. Langzamerhand legde ik af wat kinderlijk was. Maar het verging me als Paulus. In plaats van dat de wereld mij helderder werd, werd deze steeds raadselachtiger. Waar hoorde ik eigenlijk bij? Moest ik linksaf of rechtsaf, naar voren of naar achteren?

Ik kwam er achter, dat er verschillende elites waren. Welke auto je reed, deed niet ter zake. Dat wij ons als kinderen daar druk overmaakte, was iets wat mijn vader niet begreep of niet begrijpen wilde. Dat je rijk kon worden als voetballer of met radiopraatjes à la Willem Duys was toch eigenlijk een verwording van onze cultuur. Met wintersportvakantie gaan was niet aan de orde. Vakanties werden aan cultuur besteed, niet aan sport.  Ik ging uiteindelijk niet linksaf, niet rechtsaf, niet vooruit of achteruit. Ik bleef waar ik was en deed was bij ons thuis gewoon was, samen met die paar klasgenootjes die dezelfde elitaire normen en waarden met zich meedroegen. We lazen Sartre en Camus, we vroegen ons af waar Lucebert het over had, we discussieerden over Karl Marx die geen van ons gelezen had, we pijnigden ons hart met de vraag wat de zin van dit alles was. Vol minachting keken we neer op de heertjes in hun driedelig grijs, we verborgen onze puberale begeerte naar de sjiek geklede dames achter een spottende glimlach: ‘Wat een tutjes’.

Toen kwam het kabinet Den Uyl. ….  ….  ….

Tegenwoordig mag er weer over elite worden gesproken. Ja zelfs verscheen er deze week een boek met als hoopvolle titel: Gaat de elite ons redden? Onze Karel Claassen heeft daarin over Rotary geschreven. Rotary als elite. Elite, zo heb ik onlangs geleerd, elite komt van electus, uitverkorene. En hoewel men in sommige kringen andere opvattingen verdedigt, staat uitverkiezing niet tegenover verwerping. In de Heilige Schrift gaat het altijd over uitverkiezing tot dienst. Wat hebt gij mens, dat gij niet hebt ontvangen? En je hebt het ontvangen, om het ten nutte te maken aan het algemeen. Als elite zo zijn taak opvat, heb ik geen enkel bezwaar tegen elite. Ja, reken ik ook mezelf tot de elite van Nederland.

Ik wens jullie zinvolle kerstdagen en een goed nieuw jaar.

 

M.J. Aalders