Zoeken

De dominee en de predikant PDF Afdrukken E-mailadres

Column voor Rotary Minerva, d.d. 16 april 2007

 

Goede vrienden,

 

Onlangs werd ik door een uwer aan een gast voorgesteld als ‘onze dominee’. Deze mededeling riep gemengde gevoelens in mij wakker. Enerzijds voelde ik me vereerd omdat er sprake was van ‘onze’ dominee. Dat gaf een warm besef van verbondenheid met een wereldwijde fellowship. Anderzijds ergerde het mij dat ik werd aangeduid als dominee. De strijd tussen deze beide emoties werd gewonnen door de ergernis. Ik kon het dan ook niet laten om mijn mede-rotarian in het openbaar te corrigeren en meldde onze gast dat ik geen dominee ben, maar predikant.

 

Des nachts op mijn legerstede overdacht ik mijn zonden, en ook de geprikkelde reactie kwam mij weer in herinnering. Ik besloot u deze mijn zonde op te biechten en u bij wijze van boetedoening vandaag een rondleiding te bezorgen in de wonderlijke wereld van de dominee en de predikant

Een dominee, beste vrienden, is van oorsprong geen predikant. De dominee bestaat helemaal niet. Vanouds bestond het hele woord niet als aanduiding van welk beroep dan ook. Een dominee is gewoonweg niets. Dominee is namelijk de vocativus van het woord dominus. De vocativus is de naamval die wordt gebruikt als iemand wordt aangesproken. En dominee is de vocativus van het woord dominus, heer, en grammaticaal gesproken kan de dominee dus niet bestaan. Althans, voor wie zich oriënteert op de grammatica van de oude Romeinen. Dominee is een aanspreektitel. Domine Jesu Christe wil dan ook niet zeggen dat Jezus van Nazareth predikant in de PKN was, maar hij wordt door de goede gelovigen aangesproken als Heer. (Een term die overigens in dit verband nog een hogere lading heeft dan gewoonlijk).

Dominee als vocativus, niet als beroepsaanduiding. Vanouds werden onder ons allen die respect verdienen aangesproken als dominee. Het was een uiting van eerbied en onderdanigheid. Deze Latijnse aanspreektitel verloor in de loop der jaren echter steeds meer terrein aan het Nederlandse ‘Mijn Heer’.  Deze aanspreektitel, die nog steeds van onderdanigheid en respect getuigde, vervlakte allengs tot het alledaagse ‘meneer’, en tegenwoordig laten velen onder de aanzienlijksten van ons volk zich zelfs bij de voornaam noemen. Dat is, mijne hoorders, een verontrustend signaal van het feit dat de horden inderdaad zoals verwacht en voorspeld in opstand zijn gekomen en zich zelfs meester hebben gemaakt van onze omgangsvormen. Maar hoe dan ook, de aanspreektitel dominee raakte in onbruik, behalve voor de predikanten.

Nu zal een wijsneus onder u misschien vragen hoe het dan zit met de uitspraak ‘er gaat een dominee voorbij’. Inderdaad, hier is het woord dominee toch onmiskenbaar gebruikt als zelfstandig naamwoord, en inderdaad, dit gaat over een dienaar der kerk. De uitdrukking stamt namelijk uit de vissersdorpen. Als het gestormd had en men zag op een van de dagen daarna de predikant langs lopen, vielen alle gesprekken stil, en iedereen vroeg zich bij wie de weleerwaarde heer zou binnengaan om de doodstijding van man en vader te brengen. De dominee bestaat dus wel degelijk, op zijn minst in de volkstaal. Maar wat mij betreft zou hij niet horen te bestaan. Waar het gemeene volk zich meester maakt van het Latijn, gebeuren er ongelukken. Ik wijs op de woorden die de priester spreekt tijdens de eucharistie: hoc est corpus. Dit is het lichaam van Christus. De horden echter verbasterden deze woorden tot ‘hocus pocus’. En zoals hocus pocus niet bestaat, zo bestaat ook de dominee niet, zo houd ik vol.

Behalve dat het woord dominee niet zou mogen bestaan, is er nog een andere reden dat ik geprikkeld raak als ik word aangeduid als dominee. De dominee, veel meer dan de predikant, is in de loop der eeuwen meer en meer geworden tot een enigszins lachwekkende figuur, over wie allerlei grappen de ronde deden. Ik verdedig de stelling dat de groeiende negatieve connotatie van het woord dominee samenhangt met de ontwikkelingen in de 19e eeuw toen het zogenaamde denkend deel der natie zich van kerk en godsdienst begon los te maken. Ik vermoed dat er in de grappen en grollen over priesters en dominees een zeker verweer zit tegen pretenties die dominees in hun hoedanigheid als dienaar van de eeuwige nu eenmaal hebben. En toen de tachtigers, in het voetspoor van Busken Huet het dichtend deel der predikantenstand neersabelden als een groep prutsers, was het pleit beslecht. Het woord dominee verloor in snel tempo de connotatie van deftig en vooraanstaand, er kwam een sfeer van meewarigheid om  heen hangen.

Hoe anders verging het de predikant. Ook dit woord stamt uit het Latijn, en wel van het werkwoord predicare, verkondigen, prediken, preken. Dit was in oorsprong een enigszins neerbuigende betiteling die aan de protestantse predikanten werd toegekend. Een benaming die overigens buitengewoon adequaat was en is. Een protestants geestelijke is dienaar des Woords. Zijn taak is om het evangelie te verkondigen. Hij is een prediker, een preker. Daar draait heel zijn werk om, daar draait de hele protestantse eredienst om. Om de preek. Voor meneer pastoor en consorten is de preek betrekkelijk irrelevant, bij hem draait het om de eucharistie, om de herhaling van het offer van Christus op het altaar in de kerk. Hij is de dienaar der sacramenten, de predikant de dienaar des Woords. De connotatie die dit woord in de loop der eeuwen omgeven heeft, is dus precies tegengesteld aan de connotatie die het woord dominee omgeeft. Het predikantschap is een eerzaam beroep, uitgeoefend door academisch gevormde theologen, die een brede opleiding genoten hebben en een grote eruditie bezitten.

En daarmee, goede vrienden, komt ik tot het slot van deze openbare boetedoening. Ik hoop u hiermee duidelijk gemaakt te hebben dat er een groot verschil is tussen een dominee en een predikant. Ik hoop u verder duidelijk gemaakt te hebben waar hoe ik voortaan graag betiteld wil worden. En ik hoop bovenal dat de maaltijd ons allen goed zal smaken.

Ik heb gezegd.

 

M.J. Aalders