Zoeken

Een kerstboom voor Rotary PDF Afdrukken E-mailadres

Toespraak voor Rotary Amsterdam Minerva, d.d. 11 december 2006.

Zeer geachte aanwezigen, goede vrienden,

De heilig Nikolaas moest de Lage landen nog verlaten, of het kerstfeest kondigde zich al aan. Immers, 3 december begon de adventstijd. De tijd waarin de kerk van Christus zich voorbereidt op het kerstfeest. Vanouds was die adventstijd een tijd van inkeer en van bezinning. Het bekende ‘geen plaats in de herberg’ riep de vraag op of er in ‘onze herberg’ wel plaats zou zijn voor het kind in de kribbe. Een goede viering van het kerstfeest, zo wist de kerk, vergt een voorbereiding van kritisch zelfonderzoek.

Dit alles is tegenwoordig buiten een kleine kring van ingewijden nauwelijks meer bekend. Na de komst van Sinterklaas komt ook de kerstman met zijn cadeautjes. Daar lijkt kerst over te gaan. De vraag is hoe het zover heeft kunnen komen. Daarover wil ik vanavond enige opmerkingen maken, in de hoop en de verwachting om u tot nadenken te prikkelen. Deze opmerkingen zijn grotendeels ontleend aan een onderzoek dat A.J. Dekker ooit verrichtte namens het P.J. Meertensinstituut, waar in die tijd ook de befaamde J.J. Voskuil werkte.

Ik las in Wikipedia, de encyclopedie van het internet, dat reeds de oude Germanen het gebruik van een kerstboom met lichtjes en pakjes kenden. Het groen was een teken van overwinning in de barre winterkou, het licht kondigde de komst van de lente aan, de cadeautjes  waren een symbool van de vruchtbaarheid. U bent, mijne dames en heren, met uw kinderen en kleinkinderen het Germaanse heidendom nog nauwelijks ontgroeid, zo zouden we daaruit kunnen concluderen. Maar dat is wat al te snel door de bocht. Van een rechte, ononderbroken lijn tussen de Germanen en u is geen sprake. Laat me dat uitleggen.

De kerstboom met lichtjes en haar pakjes –ik noem dat nu maar even de Duitse kerstviering- was bij onze oosterburen al aan het einde van de achttiende eeuw in zwang als een huiselijk, haast religieus gebeuren. Niet overal, niet in alle Duitse landen, en niet bij iedereen. Maar toch. En de oudste bronnen over de Duitse kerstviering in Nederland brengen ons dan ook bij de zogenaamde hogere standen, die contacten hadden met Duitsland, en bij Duitse immigranten. Zo weten we dat de Oranjes, toen ze tijdens de Napoleontische tijd weer tijdelijk in hun Duitse vaderland verbleven, aldaar het kerstfeest met boom en pakjes hebben gevierd. En ook uit de Duitse immigrantenkring zijn verhalen over deze kerstviering bekend.

De eerste vermelding van zo’n ‘Duitse’ viering in Nederland dateert uit 1835. Ds Ottho Gerhard Heldring, de stamvader van de bekende Heldrings en van de Heldringstichting te Zetten, beschreef toen de viering die hij bij zijn plaatsgenoot baron van Lijnden had meegemaakt. Het was een exacte kopie van de Duitse kerstviering. De viering, zo lezen we, vond plaats op de avond voor kerstmis, de kerstboom was verlicht, was versierd met appels, noten, peren en met andere versnaperingen, en voor ieder van de huisgenoten lag er onder de boom een geschenk. Die boom bevond zich in een aparte kamer waar men pas naar binnen mocht op het moment dat het feest begon. Hij versierde dus niet zozeer de woonkamer, maar maakte deel uit van een apart ritueel. Van Lijnden was via een schoonzoon gerelateerd aan het hof, Heldring had een Duitse moeder en kende deze viering ook uit familiekring.

Komt de Rijn bij Lobith Nederland binnenstromen, de kerstboom komt ons land binnen via de Duitse kontakten van het patriciaat en via de Duitse immigranten. De Rijn is al langer onze gast, langer dan wij kunnen nagaan, de kerstbom doet dat aantoonbaar pas vanaf 1835 De Duitse kerstviering hebben we cadeau gekregen van onze oosterburen. Maar waarom werd dat cadeautje uitgepakt? Niet met alles wat de Duitsers ons hebben gebracht zijn we blij. Er was dus nog meer aan de hand. Ik wijs op vier factoren die van belang zijn geweest.

Genoemde ds Heldring had grote waardering voor deze Duitse viering en zag daarvoor grote mogelijkheden. Huiselijkheid was in die tijd namelijk een belangrijk thema. Allerlei volksopvoeders zagen in de huiselijkheid een uitstekend middel om de gezinsbanden te versterken en de verloedering tegen te gaan. Zo ook Heldring. Ze plaatsten de huiselijke feesten tegenover het vermaak buitenshuis, als kermissen, begrafenismalen en zelfs kraamvisites. Heldring was er van overtuigd dat er geluk heerst in het huisgezin, 'waar de huisvader, afkeerig van uithuizigheid, elke gelegenheid aangrijpt, om, met vrouw en kinderen, een schuldeloos vermaak te genieten'. De Duitse kerstviering kon daarbij goede diensten bewijzen. Veel betere diensten dan bijvoorbeeld de Sinterklaasviering. Beide, Sinterklaas en de Duitse kerst, zijn weliswaar een kinderfeest, maar het kerstfeest is  'edeler in zijn bedoeling', aldus onze predikant. Hij was dan ook van mening dat het niet alleen een huiselijk feest mag zijn, maar zelfs een 'christen-feest', waar de kinderen op effectieve wijze kennis zouden kunnen maken met de godsdienst, en in 'kinderlijke eenvoudigheid reeds vroeg leren denken aan de groote weldaden, die zij door de geboorte van den vorst des levens ontvingen'. Immers, hoe groot de cadeautjes onder de kerstboom ook mogen zijn, ze vallen in het niet bij het grootste geschenk van het kerstfeest, namelijk het Christuskind. Het kerstfeest als wapen in de strijd tegen de verloedering. Dat was een eerste, bevorderende factor.

Het verschil tussen de Sinterklaas- en de Kerstviering werd ook door anderen sterk benadrukt. En daarmee stuiten we op een tweede bevorderende factor. Openlijk werd het pleidooi gevoerd om het Sinterklaasfeest af te schaffen en te vervangen door de Duitse kerstviering. Daarbij ging het niet alleen om de schadelijke werking die uitging van het Sinterklaasfeest met zijn bangmakerij en met zijn bijgeloof, er speelde ook antirooms sentiment in mee.  Sedert de Bataafse tijd stond het weliswaar iedere Nederlander vrij om zijn eigen godsdienst te kiezen, maar in de praktijk werd Nederland nog steeds bepaald door het protestantse volksdeel. Dat volksdeel vormde van 1815-1839 de minderheid van ons volk, getalsmatig maakten de rooms-katholieken de dienst uit. Na de afscheiding van België ging het nog altijd om 1/3 deel van de bevolking dat tot de heilige moederkerk behoorde. Die rooms-katholieke Nederlanders begonnen zich vanaf de jaren 40 steeds duidelijk te manifesteren. Ze eisten in toenemende mate hun plaats in de samenleving op. Daarmee nam ook de weerstand tegen de katholieken en alles wat zij met zich mee brachten toe. Protestanten vreesden dat de Paus, in die tijd ook een wereldlijk vorst, via deze vijfde colonne alsnog wraak zou nemen op de Reformatie hier te lande en de opstand tegen zijn vriend Philips II. Toen in 1853 de bisschoppelijke hiërarchie werd hersteld, waren de rapen gaar. Of liever, toen sloegen de protestantse hoofden op hol. Het kwam tot een ware volksopstand onder aanvoering van onze inlandse ayatolla’s, de predikanten. Vele rooms-katholieken waren hun leven niet zeker, meenden ze, en in ieder geval werden ze gewantrouwd. Welnu, een kabinet onder leiding van Floris van Hall, die eerder al het financiële wanbeleid van koning Willem I had gerepareerd, wist de vrede terug te brengen. De katholieken mochten blijven, evenals hun nieuwbenoemde bisschoppen. Edoch, de protestanten hadden dan wel de politieke strijd verloren, de culturele strijd gaven ze nog niet op. Weg met het Sinterklaasfeest.  Leve de kerstboom.

Daarbij komt, als derde, nog iets anders. Want Heldring was nauw betrokken bij de filantropische strijd tegen de verloedering van ons goede vaderland. Het bleef niet bij woorden, het kwam tot daden. Ik noemde hem reeds als de oervader van de Heldringstichting te Zetten. Veel adellijke en patricische families waren namelijk met Heldring actief in de zogenaamde 'inwendige zending'. Daarmee worden allerlei particuliere initiatieven bedoeld, die beoogden op te komen voor de arme, de zwakke en vooral ook de onbekeerde. Geen zending onder de arme negertjes, maar zending in eigen huis. Deze beweging staat bekend als het Réveil. Daartoe behoorden bekende families als de familie Pierson, toen nog onderweg om de rijkste familie van Nederland te worden, de doopgsgezinde familie De Clercq, de eerste directeur van de Nederlandse Handelsmaatschappij, de fam Van Loon, bekend van het Van Loonmuseum, de Wallers, de Van Oyens, de fam. Van Lennep, Isaac da Costa, en vele anderen. Het neusje van alle Nederlandse zalm was op de een of andere wijze wel vertegenwoordigd in deze opwekkingbeweging. Men was betrokken bij de zorg voor gevallen vrouwen, men bemoeide zich met de strijd tegen het drankmisbruik en de prostitutie, en men stortte zich op het zondagsschoolwerk. De eerste zondagsschool werd in 1837 opgericht door de arts A. Capados, J.L. Gregory Pierson volgde zijn voorbeeld voor Amsterdam, Gravin van Hogendorp in Den Haaag etc. Rond 1880 – in 40 jaar tijd dus - waren er zo’n 1000 zondagsscholen met zo’n 100.000 leerlingen. Met de zondagsschool richtte men voor een belangrijk deel ook op de grote behoeftige kinderscharen die van het evangelie waren vervreemd. Zondagsscholen waren in feite vaak evangelisatie-kanalen van de grote kerk, de Nederlandse Hervormde Kerk. Velen waren daarvan in naam wel lid, maar de meesten kwamen daar nooit. Zeker niet zij die in de achterbuurten en volkswijken van onze grootste steden woonden. Daar lag een schone taak. Vandaar. En Heldring zag daarbij dus grote mogelijkheden voor de Duitse kerstviering: via het befaamde sinaasappeltje en andere cadeautjes de kinderen wijzen op het grote kerstgeschenk. Voor de zondagsscholen was het kerstfeest het hoogtepunt: Jezus als de grote kindervriend. Het is naar wij aannemen een belangrijke motor geweest in de verspreiding daarvan over Nederland. Bij kerst hoort een kerstboom en een presentje.

En dan, de commercie. Die had natuurlijk weinig boodschap aan het kind in de kribbe, maar des te meer aan zijn concurrent Mammon. Valt er uit dat kind geen slaatje te slaan? Een vorm van kinderarbeid dus. De eerste advertentie waarin geadverteerd wordt met kerstcadeaus, dateert uit 1842. In 1844 is voor het eerst sprake van een  ‘geillumineerde Kerstboom’ bij de Duitse banketbakker C. Nölken te Amsterdam. De boom zal verlicht zijn van 6-8 uur s avonds, zo wordt de lezer gemeld. Nölken woonde nog slechts kort in Nederland, en onder banketbakkers in Duitsland was het de gewoonte om met kerst hun winkels van bijzondere attracties te voorzien om klanten te trekken. In Nederland kwam dat eigenlijk alleen voor met Sinterklaas. Nu dus ook met Kerst. Nölken gebruikte daarvoor de kerstboom. Of dat in Duitsland toen ook al gebeurde, is niet bekend. Maar duidelijk is wel dat de boom uit de huiselijke sfeer met zijn religieuze lading is weggehaald en overgebracht naar de openbare ruimte en de sfeer van de commercie. Daarna volgen anderen. In 1848 wordt een verlichte kerstboom opgesteld in het theater Frascati, en enkele jaren later lezen we dat bij een grote kerstverloterij de hoofdprijs bestaat uit een kerstboom. Tevens verschijnen er advertenties voor versierde kerstbomen. Toch gaat de groei, afgaande op de advertenties, nog met horten en stoten. Van een spectaculaire groei is geen sprake, dat kan eigenlijk alleen maar gezegd worden van de kerstcadeautjes.

Samenvattend: de Duitse kerstviering komt via patriciaat en immigranten ons land binnen, dat ontvankelijk daarvoor omdat de huiselijkheid als sociale deugd voortdurend werd beklemtoond, omdat het de ayatolla’s wapens in handen gaf om af te rekenen met de heilige Nikolaas, omdat het mogelijkheden bood de kinderen te paaien voor het evangelie, en omdat de banketbakkers er brood in zagen.

Bij deze gegevens plaats ik nog enkele kanttekeningen.

De hier verwerkte gegevens berusten op een onderzoek van advertenties in het Algemeen Handelsblad, in die tijd nog een krant voor de betere standen. Adverteren in die krant was duur. Ook de winkeliers die adverteerden zaten in de betere winkelstraten: Kalverstraat, Dam, Leidsestraat, Heilige Weg. Met andere woorden: dit beeld bevestigt dat de kerstboom met de kerstgeschenken iets was voor de ‘betere standen’.

En het waren merendeels winkeliers met een Duitse achtergrond die adverteerden, samenhangend met een toenemende immigratie van hoger opgeleide Duitsers.

De derde kanttekening betreft het feit dat het door mij geraadpleegde onderzoek de situatie in Amsterdam betrof. Ook in die tijd liep Amsterdam voorop als het ging om culturele veranderingen.

Ik kom tot mijn conclusies.

Voor zover de grote massa in aanraking kwam met deze Duitse kerstviering, gebeurde dat via het zondagsschoolwerk. Dat is in feite, zoals ik al aangaf, de grote motor achter de groeiende populariteit daarvan geweest. Natuurlijk waren er ook kritische geluiden. In de kringen van de NZV kwamen de eerste kritische geluiden in de jaren 80 van de 19e eeuw los. In mijn eigen kerk, de Gereformeerde Kerk, was de kerstboom lange tijd taboe, en dat gold ook de rooms-katholieke kerk. En begon ik mijn verhaal met de opmerking dat er geen rechte lijn loopt van de oude Germanen naar uw voordeur, nu moet ik melden dat de lijn van de 19e eeuw zoals hierboven geschetst ook niet ononderbroken stijgende is geweest. Daarvoor is Nederland toch een al te calvinistisch en sinterklaasvierend volk geweest. Hoe moeten we de huidige hysterie rond kerst dan verklaren?

Mijn 19e eeuwse collegae zouden hierin ongetwijfeld een complot van de genoemde 5e colone zien. Immers, toen de Hollanders hun Sinterklaasfeest mee hadden genomen na de overkant van de grote plas, werd, toen Manhatten voor 1 gulden verkocht was aan de Britten, de naam  van de arme Nicolaas veranderd in Santa Claus. Rond 1820 legde een Amerikaanse volksdichter een verband tussen deze heilige en het kerstfeest. En in 1860 werd de heiligman afgebeeld in een arreslee, in de jaren 1930 gooide Coca Cola er nog een flinke sloot geld tegen aan. Mijn 19e eeuwse collegae zouden, als ze dit alles hadden geweten, ongetwijfeld gewezen hebben op de slimheid van de Jezuieten. Door zich te vermommen als kerstman, heeft de heilige moederkerk toch het laatste woord. Dat lijkt mij een geruststellende gedachte.

Ik heb gezegd.

 

Maarten Aalders, 11 december 2006